Zie ze sudderen in hun misère

De roman ‘Het Yacoubian’ is een soap op niveau die aan de Egyptische censuur ontsnapte. Mensenlevens uit heden en verleden zijn moeiteloos aaneengeregen.

De passant van een restaurant in Kairo Foto Reuters/Goran Tomasevic An Egyptian man walks in front of a water pipe or Nargillah in a restaurant in Cairo April 30, 2006. Nargillahs are one of the most popular spare-time pleasures for many Arabs. REUTERS/Goran Tomasevic REUTERS

Alaa al Aswani: Het Yacoubian. Uit het Arabisch vertaald door Jan Jaap de Ruiter. Mouria, 268 blz. € 18,90

Albert Cossery: Het huis van de wisse dood. Vert. uit het Frans door Mirjan de Veth. Coppens en Frenks, 128 blz. € 23,90

Zelden komt het voor dat een roman een bestseller wordt in de Arabische wereld en vervolgens ook West-Europa verovert. Toch is dat het geval bij Het Yacoubian van de Egyptische schrijver en publicist Alaa al Aswani (1957), die onlangs ook te gast was op het Winternachtenfestival in Den Haag. Het Yacoubian, uit het Arabisch vertaald door Jan Jaap de Ruiter, is een kostelijke soap op niveau, waarbij en passant een deel van de 20ste-eeuwse geschiedenis van Egypte uit de doeken wordt gedaan. Het boek verscheen in 2004 bij een kleine Egyptische uitgeverij, waardoor het aan de aandacht van de censuur ontsnapte en prompt een enorm succes werd. De Franse vertaling bij Actes Sud haalde een verkoop van meer dan honderdduizend exemplaren, waarna uitgeverijen over de hele wereld in het boek geïnteresseerd raakten.

Al Aswani, zoon van een schrijver-advocaat en in het dagelijks leven tandarts, rekent Mahfouz tot zijn grote voorbeelden en dat is vooral te zien aan de kernachtige manier waarop hij zijn personages schildert. De schrijver, die zegt de verhalen in zijn boek te hebben opgetekend uit de mond van zijn patiënten, schuwt geen enkel taboe. In het huis aan de Soliman Pachastraat in Kaïro, in 1930 gebouwd door de rijke Armeense zakenman Hagop Yacoubian, aan wie het boek zijn titel ontleent, passeert alles de revue: homoseksualiteit, prostitutie, gedwongen abortus, fundamentalisme, geweld, liefde, trouw en ontrouw.

Met de wisselingen van de politieke regimes veranderen ook de bewoners van dit huis op stand. Waren het eerst ministers, pasja’s en bestuurders, later kwamen de militairen, weer later dokters en tandartsen, onder wie de auteur van het boek ,die er een tijdlang zijn tandartspraktijk had.

Stelletjes

Alleen op het dak van het gebouw, oorspronkelijk bedoeld als zolder voor de rijken, maar al snel in gebruik als onderkomen voor de armen, blijven de clandestiene maar kleurrijke bewoners hetzelfde: schoenlappers, vage handelaren, beginnende stelletjes die hun illusies in rook zien opgaan, kijvende hardwerkende vrouwen en hun zuipende, werkloze echtgenoten.

Allerlei mensenlevens, van heden en verleden, haakt Al Aswani moeiteloos aan elkaar. Zo is er de oude, aan de grond geraakte gentleman Zaki Bey, stammend uit het ‘kosmopolitische’ Egypte van vóór het tijdperk van Nasser, een vrouwenverleider, gevormd door de Franse cultuur. Er is ook de intelligente, ambitieuze jongen Taha, die niet toegelaten wordt tot de politieschool omdat zijn vader maar conciërge is – een eerste vernedering in een reeks die van hem uiteindelijk een gewelddadige fundamentalist zal maken. Er is de homoseksuele hoofdredacteur, die zijn passie met de dood moet bekopen, er zijn de jonge meisjes die misbruikt worden door machtige, door seks geobsedeerde mannen.

In een land waar romans niet populair en onbetaalbaar zijn, sloeg deze roman in als een bom. Het boek werd door een jonge cineast verfilmd, met een al even groot succes. Het gaf de toch al politiek geëngageerde, schijvende tandarts een stem waarmee in Egypte rekening gehouden wordt. Al Aswani werd een onaantastbare voorvechter voor democratie, maar vooral een zelfbewuste schrijver, die aan een literair oeuvre werkt en die, tussen het schrijven en het boren door, de wereld rondreist om begrip te kweken tussen de Arabische en de westerse culturen.

Onlangs verscheen er nog een andere Egyptische roman, Het huis van de wisse dood, in 1945 geschreven door Albert Cossery (1913) en nu door Mirjam de Veth uit het Frans vertaald. Ook deze roman draait om de geschiedenis van een huis en zijn bewoners. Ook hier geldt de veronderstelling dat wie weet wat er zich in dat huis afspeelt, begrijpt hoe het er met Egypte voorstaat en ook in dit geval valt de evaluatie uiterst kritisch, zelfs desastreus uit.

Albert Cossery, de beroemde auteur van onder meer De luiaards in de vruchtbare vallei, en in 1990 laureaat van de Grand Prix de la Francophonie, situeert zijn huis in de Zevenmeisjessteeg in Kaïro, een straat die ondanks zijn lieflijk aandoende naam synoniem is met diepe armoede, werkloosheid, ziekte, ellende en totale afstomping. Wraak, uitbuiting en corruptie zijn belangrijke elementen in de roman van deze auteur, die maar twee jaar jonger is dan de onlangs overleden Egyptische Nobelprijswinnaar Naguib Mahfouz.

Blijft Al Aswani’s toon bij alle menselijke ellende los, licht en ironisch, die van Cossery is zwart en loodzwaar. In zijn precieze, observerende stijl – ook goed vertaald – verhaalt Cossery van zijn ‘huis van de wisse dood’, een ruïne waarvoor de ‘verfoeilijke huisbaas’ Si Khaliel huur durft te innen. De bouwvallige muren staan al te schudden op hun grondvesten als ‘er een handkar van een slaverkoper door het steegje komt’ en de verschrikkelijke kou kruipt ‘als een gif in het zwerende vlees van de mensen’. Stank, afgebrokkeld pleisterwerk, dodelijk gevaarlijke trappen, gapende gaten – Cossery excelleert in de poëtische beschrijvingen van verval en bederf. Doodsangst stijgt uit de pagina’s op, de misère druipt van ieder woord. ‘Universeel leed’ omringt het huis, dat is ‘overgeleverd aan de duivel’ en dat door zijn bewoners dan ook met een ‘wisse dood’ wordt geassocieerd.

Werkbank

Met die bewoners is het al niet veel beter gesteld. Shahata de timmerman heeft al jaren geen opdrachten meer, staat alleen maar aan zijn werkbank om het niet uit te schreeuwen van de honger. ‘Door de vernederende druk van de armoede had hij de grenzen van het menselijke weerstandsvermogen bereikt.’ Zijn dochter, al even uitgemergeld, is ‘getekend door de stigmata van de honger’, maar haar ‘magere bottige buik’ wordt desondanks begerig bekeken door een oude stumper wiens avondmaal bestaat uit een rotte sinaasappel. Met de apenleider, de verkoper van petroleumstelletjes, de vuilophaler, de voerman zonder kar en hun vrouwen is het al niet veel beter gesteld. In de ogen van hun kinderen glimt ‘ingekankerde haat’.

Maar een eenling doet een poging het lot in eigen hand te nemen, de meesten sudderen in inertie. Pas in de laatste alinea gloort er enige verandering aan de horizon. In een dreigend visioen ziet de corrupte, misdadige huisbaas uit de stofwolken van het ingestorte huis overlevenden opstaan, ‘hun ogen vervuld van wraak.’