Wereldbadkuip

Kunt u zich nog herinneren hoe het oude Stedelijk Museum eruit zag? Een mooi gebouw uit 1895, architect A.W.Weissman, met daaraan gebouwd, wegens ruimtegebrek een vleugel uit de tweede helft van de twintigste. In architectonisch opzicht vond ik het toen een rampzalige combinatie, maar aan alle nieuwe stadsgezichten raak je gewend. Die combinatie stond er nu eenmaal. Aan wat er vertoond werd in de tijd van Sandberg heb ik de beste herinneringen. Vier Amerikanen heette die tentoonstelling. Rauschenberg, Oldenburg, nog twee, lang geleden, toen een openbaring. Daarna Bewogen Beweging, waar ik voor het eerst Tinguely zag. De presentatie van de Vijftigers in het Stedelijk, de voorstelling van Lucebert. ‘De minister-president is een kanon. Piep piep piep.’ Grote dagen.

Nieuwe tijden braken aan. Het Stedelijk ging dicht, een jaar of wat geleden omdat het totaal vernieuwd moest worden. Het is nog altijd totaal dicht. De Sandbergvleugel werd gesloopt, te beginnen met een totale daad van de cultuurwethouder, mevrouw Carolien Gehrels, die met een totale steenworp een ruit van het oude gebouw ingooide. Geweldig! De vleugel is intussen met de grond gelijk gemaakt, wat een beter uitzicht geeft op het Rijksmseum dat nog altijd in een stadium van nondescripte vernieuwing is. Maar wat nu?

Ik citeer deze krant van 3 februari 2006. ‘Op 14 september 2008 heropent het Stedelijk Museum. De entree wordt verplaatst naar de nieuwbouw aan het Museumplein. Het definitieve ontwerp, zoals gisteren door architect Mels Crouwel in het lege oude gebouw werd getoond, wijkt weinig af van dat waarmee zijn bureau in 2004 de competitie won. Aan de Museumplein-zijde van het oude gebouw komt een badkuipvormige uitbouw. Daaromheen heen komt een 80 meter lange façade van glas met een uitstekende luifel. De nieuwe uitbouw (totale diepte: 30 meter) en het oude gebouw gaan daardoor in elkaar over, zoals dat ook bij de uitbouw van het Concertgebouw het geval is.’

Badkuipachtige uitbouw van 80 bij 30 meter, daar komt kabaal van, dacht ik toen ik er voor het eerst van hoorde. Het viel mee. Waarschijnlijk drong het toen nog niet tot het grote publiek door dat het Museumplein opnieuw totaal op de schop zou gaan. Maar zoals een vorige Amsterdamse burgemeester al aforistisch heeft gezegd: ‘Als de colonne zich eenmaal in beweging heeft gezet kan deze niet meer worden gestopt.’ Dat ging over het verjagen van de krakers op de Vondelparkbrug. Nu komen er plaatjes, perspectieftekeningen in de krant. Het grote publiek ontwaakt en toont zijn ware gezicht. Het g.p. is altijd conservatief. ‘Een monster!’ ‘Een wangedrocht!’ Ik citeer nu lezers van Het Parool.

Eigenlijk zou je op het Museumplein een tent moeten neerzetten waar het publiek het ontwerp virtueel in drie dimensies op zo groot mogelijk formaat kan beoordelen. Maar daarvoor is het nu te laat. Misschien bij het volgende museum. Afgezien daarvan is er een andere vraag: moet een museum waar kunst wordt vertoond zelf ook een opzienbarend kunstzinnig uiterlijk hebben?

In de jaren negentig baarde Frank Gehry mondiaal opzien met zijn Guggenheim Museum in Bilbao. Je moet naar Bilbao om dat museum te zien. Wat er hangt en staat is van een lagere orde. Zo ook met het Groninger Museum van Alessandro Mendini. Er is een school die zegt dat op zo’n manier de inhoud door de buitenkant wordt verdrongen. Er zit iets in. Toen het Museum of Modern Art in New Yok moest worden verbouwd, werd de inhoud tijdelijk naar een systeem van containers in Queens verhuisd. Van buiten niet lelijk, en met een eersteklas inhoud. Het vernieuwde MoMA is mooi maar zo reusachtig dat je door de afmetingen alleen al ondersteboven dreigt te raken.

Het nieuwe Stedelijk streeft naar zeshonderduizend bezoekers per jaar, tweehonderdduizend meer dan in topjaren gehaald werd in het oude gebouw. Met deze badkuip moet dat lukken. En anders hebben we nog altijd buurman Vincent van Gogh in zijn onberispelijke behuizing.

    • H.J.A. Hofland