Weg met de keizer

Ook Oostenrijk heeft eindelijk weer een heuse minister voor Cultuur. Tot opluchting van tal van instellingen voor moderne kunst, die onder de vorige conservatieve kabinetten zwaar te lijden hadden. „In dit land wordt een kunstenaar gehaat, niet gevraagd.”

‘Poe, poe, poe-tsji-nie?” vraagt de jonge Zuid-Koreaan voor me in de rij. „De componist van de opera”, antwoord ik. De Koreaan vertaalt mijn woorden voor zijn vrienden, die vol bewondering knikken. Dan staan ze ineens op en komt de rij, die inmiddels zo’n honderd meter langer is geworden en zich uitstrekt tot buiten het gebouw van de Wiener Staatsoper, onrustig in beweging: het loket van de Stehkasse is zojuist opengegaan voor de kaartverkoop van de staanplaatsen voor Puccini’s Manon Lescaut.

Twee Weense dames op opvouwkrukjes kopen kaartjes voor het balkon. „De zitplaatsen zijn altijd zo weg”, zeggen ze. „Maar de akoestiek is overal in de zaal uitstekend. En voor twee euro heb je een geweldige avond.”

Operaliefhebbers uit alle delen van de wereld wachten even later in rotten van twee voor de klapdeuren naar de staanplaatsen achterin de parterre. „Zodra je binnen bent moet je je sjaal aan een leuning vastbinden, om een plaats te markeren”, zeg ik tegen mijn Koreaan. „Pas daarna kun je naar de garderobe.” Als een kleine jongen op het parket gaat zitten, komt een billetteur op hem af. „Dat mag niet”, snauwt ze. „U bent hier in de Staatsopera van Wenen!” Dan gaan de deuren open en rukt iedereen op naar het stavak om de beste plaatsen te veroveren. Een half uur nadat de zeshonderd sjaals zijn vastgebonden klinkt de ouverture.

De Wiener Staatsoper telt ruim 2.200 plaatsen, die in prijs kunnen oplopen tot zo’n tweehonderd euro. Maar iedere avond worden er ook een kleine zeshonderd staanplaatsen vergeven, voor een paar euro. Bijna elke dag is er een andere opera te zien, met een eigen decor en een eigen cast. Het is misschien wel de belangrijkste erfenis van de kaiserliche und königliche monarchie, het wereldrijk dat in 1918 als een ijstaart in de zon veranderde in een staatje met inmiddels acht miljoen inwoners, waarvan er twee miljoen in Wenen wonen.

De Habsburgse keizers met hun theatrale hofhouding hebben de liefde voor de podiumkunsten bij hun onderdanen altijd aangemoedigd, niet in het minst om de aandacht van politieke kwesties af te leiden. En toen Oostenrijk na 1945 op zoek moest naar een onbesmette identiteit, werd die al gauw in de cultuur gevonden. Het is dan ook niet vreemd dat Oostenrijkers veel aan cultuur doen. Het totale cultuurbudget van het land is bovendien tweeënhalf keer zo groot als dat van Nederland.

Maar net als bij de Habsburgse monarchie, toch vooral een autocratisch regime dat iedere oppositie de kop indrukte, heeft ook dit sprookje zijn minder aantrekkelijke zijde. Want de directeuren van de grote culturele instellingen worden er – voor een aantal jaar – door de regering benoemd en de meeste subsidie gaat naar een beperkt segment van het culturele leven.

Vooral de directeuren van de musea

voor moderne kunst hebben te lijden. Om hun plannen te kunnen realiseren zijn ze, net als in Nederland, steeds meer aangewezen op sponsors. Peter Noever, de directeur van het MAK, het Museum für Angewandte Kunst, is een van hen. Het MAK, beroemd om zijn collectie stoelen, grafische ontwerpen en zilversmeedkunst uit de Wiener Werkstätte, organiseert onder zijn bewind spraakmakende tentoonstellingen. Het museum is als enige in Wenen op zaterdag gratis toegankelijk. „Het curatorium protesteerde ertegen”, zegt Noever in zijn directiezaal. „Het ging ten koste van de inkomsten. Toen heb ik een sponsor gevonden, een elektriciteitsmaatschappij.”

Op dit moment exposeert de jonge Elke Krystufek in het MAK. Ze dankt haar faam aan performances, video’s, schilderijen en fotocollages met haar eigen lichaam als onderwerp. „Een jaar lang heeft ze het hele museum overhoop gehaald”, zegt Noever. „Ze combineerde haar eigen werk met veertig procent van de objecten uit onze collectie.” Krystufeks obsessieve kunst doet je goed begrijpen waarom Freud juist in Wenen zo’n succes had.

Noevers opgetogen humeur ebt weg zodra het verdere Weense kunstleven ter sprake komt. „Men is hier alleen maar op het Habsburgse verleden gericht”, zegt hij. „De politici hebben zelfs hun titels van de monarchie overgenomen. Welk land heeft er nu nog hofraden? Of neem het Nieuwjaarsconcert. Niemand haalt het in zijn hoofd om werk van een jonge componist te laten uitvoeren. Als iemand dat al durft te opperen, wordt hij voor gek uitgemaakt. Nee, dit land heeft het grootste cultuurbudget ter wereld, maar het merendeel gaat naar oude slagschepen als de Staatsoper, de Musikverein en het Burgtheater, niet naar de moderne kunst.”

Staatsmusea als het MAK hebben een nog veel groter probleem: ze hebben amper aankoopbudget en kunnen daardoor weinig nieuw werk aanschaffen van eigentijdse Oostenrijkse kunstenaars. Directeur Noever: „Ons algemeen budget is sinds het jaar 2000 niet verhoogd, terwijl de prijzen op de kunstmarkt enorm zijn gestegen.”

De verhouding tussen de overheid en de musea voor hedendaagse kunst heeft volgens Noever trekjes van de Habsburgse doormodderbureaucratie gekregen, waarin zelden een echt besluit werd genomen. „Die ouderwetse mentaliteit verbergt zich achter een onzichtbare macht”, zegt hij. „Iedereen geeft elkaar aan, er wordt nooit openlijk stelling betrokken, er is gebrek aan Zivilcourage. Geen ambtenaar of politicus durft te zeggen: dit project interesseert me niet. Nee, er wordt naar een wetsparagraaf gezocht om het tegen te houden. Zo wilde ik een luchtdoelgeschutstoren uit de nazitijd in een kunstwerk veranderen, maar ik kreeg geen bouwvergunning. Toen ik de desbetreffende ambtenaar daarop aansprak, zei hij dat dit niet was gebeurd omdat die toren niet bestond. Ik heb hem toen gezegd dat ik hem naar die toren toe zou slepen, waarop hij toegaf juist vanwege dat naziverleden geen bouwvergunning te hebben willen verlenen. Nu is de toren het depot voor onze collectie hedendaagse kunst. Snap je waarom zoveel kunstenaars naar het buitenland emigreren?”

Buiten dringt het

behoudende Wenen zich ineens overal op. Het is de ingehouden samenleving die psychiater Erwin Ringel in zijn boek Die österreichische Seele beschreef als een broedplaats van de neurose. Waar iedereen elkaar wantrouwt en alles herleid kan worden tot verstoorde ouderliefde en verdringing daarvan. Voor hen die deze neuroses in beeld brengen, de kunstenaars, is volgens de zielendokter geen plaats.

In koffiehuis Schwarzenberg knipmessen de obers voor hautaine vrouwen van in de veertig die een kleiner Schwarzer met Apfelstrudel bestellen. „Bent u soms Herr Himmler?” vraagt er een. Het is de verwende blanke middenklasse uit een aflevering van Derrick, die ’s avonds naar het Burgtheater gaat of naar een van de vele bals. Want zo’n 200.000 Weners dansen dezer weken op 300 bals in de talloze paleizen van de stad. Het Russenbal is net achter de rug en de komende weken volgen het brandweermannenbal, het operabal, het caféhoudersbal (met Nina Hagen), het juristenbal, het verpleegstersbal, het drogistenbal, het vluchtelingenbal, het patiëntenbal, enzovoort. Wenen danst, net als onder keizer Frans Jozef I. En in de etalages van de herenmodewinkels hangen de rokkostuums klaar voor de hofraden.

Achter de Burgring ligt de Museumplatz. Hier is vijf jaar geleden het Museumsquartier geopend dat het Leopoldmuseum, de Kunsthalle en het MUMOK – het Museum für Moderne Kunst – herbergt. Het MUMOK, een enorme lavastenen doos, heeft jaarlijks een aantal wisseltentoonstellingen om publiek te trekken, maar van de vaste collectie hedendaagse Oostenrijkse kunst is amper iets te zien. Het museum heeft namelijk te weinig tentoonstellingsoppervlakte.

„We hebben een grote collectie moderne kunst, maar niemand kan ernaar kijken”, beaamt directeur Edelbert Köb. „We kunnen slechts drie procent tentoonstellen van wat we hebben. Ik verzamel voor het depot. Toen ik in 2002 directeur werd heb ik me de opdracht gesteld een echt museum op te bouwen. Er is van alles gedaan, maar de bezoekers zien alleen de wisseltentoonstellingen. ‘Het is een ramp’, zei ik. Maar dat hoort de politiek niet graag. Er werd me zelfs een klaagverbod opgelegd, want klagen wordt beschouwd als een wanprestatie.”

Köb laat het er niet bij zitten. Hij heeft bouwplannen voor een dependance op de rechter Donau-oever. „Mijn plan kost 30 miljoen. Daarvan moet ik 10 miljoen zelf meebrengen, wil het een kans maken. De staat moet dan de rest betalen, al dan niet met steun van sponsors. Het is een cultuurhistorische prioriteit dat dit museum er komt. En het moet tijdens dit kabinet gebeuren.”

Köbs hoop is gevestigd op de nieuwe minister van Cultuur, de sociaal-democratische ex-bankier Claudia Schmied, die in maart met haar begroting komt. Zij heeft beloofd zich op de hedendaagse kunst te richten en sponsors bij het cultuurleven te zullen betrekken. „Ik hoop op een cultuurpolitiek waarin iedereen zijn verantwoordelijkheid neemt en niet alles aan de vrije markt wordt overgelaten”, zegt Köb. „Als de politiek mij een kans geeft, dan zou er een museum voor 21ste-eeuwse kunst komen dat aansluit op de 20ste-eeuwse collectie van het MUMOK. Onze klassiekmoderne Oostenrijkse collectie kan dan naar het Leopold Museum. Toen ik indertijd met dit idee bij het ministerie kwam wilden ze me meteen ontslaan, ze wilden er niets van weten.”

Die avond ga ik naar het

toneelstuk Elisabeth II van Thomas Bernhard, in het Burgtheater. Op het podium zit de Weense grootindustrieel Herr Herrenstein (briljant gespeeld door Gert Voss) in zijn woonkamer aan de Ringstrasse. De Britse koningin is op staatsbezoek en zal zo dadelijk langs zijn huis rijden. Veertig kennissen van Herrenstein willen dit vanaf zijn balkon gadeslaan. Herrenstein vloekt en tiert onafgebroken. Hij wantrouwt iedereen. Het publiek lacht om zijn uitspraken over muziek („Mozartopera’s vervelen me, maar op het hoogste niveau”) en zodra hij roept Wenen en de Weners te haten, ligt de zaal dubbel. Maar als Herrenstein zegt dat de Oostenrijkers een bedorven volk zijn, dat ze van de oorlog niets geleerd hebben en nog altijd joden haten, klinkt slechts een ongemakkelijk stoelengekraak.

„Wenen is een theaterstad waar het niet om de stukken draait, maar om de acteurs”, zegt de volgende dag de 63-jarige toneelschrijver Gustav Ernst in Café Central. „Oostenrijk heeft op dit moment zo’n tien goede jonge toneelauteurs. Hun stukken worden gelezen, maar geen theater werkt structureel met hen samen. Vroeger werd er bij het Volkstheater nog wel werk van hen opgevoerd, maar de huidige directeur is alleen in oude stukken geïnteresseerd. En in het Burgtheater gaat het meeste geld op aan het decor en de hoge gages, maar niet aan een werkplaats voor nieuwe toneelstukken. Ze houden hier alleen van representatieve kunst. Een kunstenaar wordt hier gehaat, niet gevraagd.”

De literatuur komt er sowieso bekaaid vanaf in Oostenrijk. Er zijn slechts schrijversbeurzen voor een korte duur en met een poëziebundel moet je bij een grote uitgeverij niet komen aanzetten. Maar inspiratie is er genoeg, zegt Ernst. „De grote taboes zijn hier nog altijd de seksualiteit, het gezin, de kerk, de nazitijd en de moderne kunst. Iedere Oostenrijkse roman gaat erover.”

In de 18de-eeuwse Schönlaterngasse in het hart van de stad, dichtbij het huis waar Billy Wilder opgroeide, is de Alte Schmiede gevestigd, een centrum voor moderne muziek en literatuur. Moderne componisten en literatoren uit de hele wereld brengen hier hun werk ten gehore. Het kleine centrum wordt evenwel niet door de staat maar door de gemeente gesubsidieerd. Tussen die – rode – gemeente en de staat botert het op het gebied van de cultuurfinanciering al jaren niet. „De staat weigert mee te betalen”, benadrukt de 31-jarige componist Gerald Resch, die er curator voor muziek is. „De afgetreden staatssecretaris voor Cultuur Franz Morak kon niet overweg met de lokale cultuurpolitici. Mij is het nooit gelukt een afspraak met hem te maken.”

Ook Resch heeft zijn hoop op de nieuwe minister gevestigd. „Sinds tien jaar hebben we eindelijk weer een minister voor Cultuur en geen staatssecretaris. Het zou mooi zijn als die bereid is tot een dialoog en een zelfbewustzijn ontwikkelt over wat zich op het gebied van de moderne muziek afspeelt. Totnogtoe heeft de overheid daar weinig voor gedaan.”

In de stad waar Schönberg zijn atonale composities ontwikkelde, wordt volop gecomponeerd. De Universität für Musik telt vijf hoogleraren moderne muziek, waarvan er vier uit het buitenland komen. „De helft van de studenten komt uit het buitenland, vooral uit Oost-Europa”, zegt Resch. „De scene is hier heel levendig, ook al is er weinig geld.”

Al even levendig is de sfeer

op de Akademie für bildenden Künste aan de Schillerplatz. De opleiding is zeer populair – twintig procent van de studenten komt uit andere EU-landen, tien procent uit Oost-Europa en China. „De Weense academie is een van de spannendste scholen van Europa”, zegt vicerector Andreas Spiegl. „Onze hoogleraren komen uit Oost-Europa, de Verenigde Staten en Duitsland en het onderwijsaanbod is heel divers. Je studeert hier niet meer alleen schilderkunst of videokunst, je krijgt een heel brede opleiding.”

Als ik vraag of Schiele en Klimt nog invloed uitoefenen op de studenten, vertelt Spiegl iets verrassends: „Zo’n vijfentwintig jaar geleden werd in Parijs de tentoonstelling Traum und Wirklichkeit. Wien 1870-1930 georganiseerd. Oostenrijk werd toen wakker en haalde die tentoonstelling naar Wenen. Pas toen werden Klimt, Schiele, Freud en Wittgenstein door Oostenrijk herontdekt, nadat ze door de oorlog al die jaren uit onze geschiedenis waren weggeduwd.”

Minder optimistisch is Spiegl als het over het nieuwe kabinet gaat. „De rechtsradicale regering die dit land de afgelopen tien jaar heeft geleid was zeer naar binnen gekeerd. Kunstinstellingen als Public Netspaces, die kritiek op de regering uitoefenden, werden gesloten. Het gevolg van dit alles is een kaalslag op het gebied van cultuur, onderwijs en wetenschap. Die schade haal je niet zomaar in. Dat kost zeker twintig jaar en er is veel geld voor nodig.” Vervolgens begint ook Spiegl over het grootste kwaad dat de culturele instellingen in zijn land geselt: de kaiserliche und königliche ambtenarenmentaliteit. „Als het op het gebied van de kunsten ooit goed moet komen, zal Oostenrijk definitief afscheid moeten nemen van de monarchie”, zegt hij tot slot.

Als ik even later naar het paleis van het Cultuurministerie loop voor een onderhoud met de woordvoerster van de minister, die tot voor kort in het Burgtheater werkte, zie ik Frans Jozef voor me, de hoofdconservator van Kakanië. Bijna 68 jaar lang zat hij op de troon en probeerde hij zijn rijk bijeen te houden door zo min mogelijk te veranderen. Op zijn schrijftafel, waaraan hij dag in dag uit aktes las en ondertekende, stond een bordje met: ‘Zoals alles is, zo moet het zijn in de wereld.’