Voor sneupers en specialisten

Antiquariaten bestaan er in alle maten en soorten. Van kleine rommelzaken tot exclusieve gesloten huizen. Een gedetailleerd overzichtswerk brengt de geschiedenis daarvan in kaart.

Antiquariaat Foto David Galjaard Galjaard, David

Piet J. Buijnsters: Geschiedenis van het Nederlandse antiquariaat. Vantilt, 478 blz. €39,90 tot 15 maart; daarna €45,–

Het prototype van de antiquaar is tegenwoordig een voormalige leraar Nederlands, die met zijn eigen boekenbezit als startkapitaal een handeltje is begonnen. Dikwijls blijft het een eenmanszaak, maar een enkeling weet zijn nering uit te bouwen tot een groter bedrijf. Het ene antiquariaat is een Librairie à chaises - een trefpunt voor boekenvrienden. Een ander noemt zich ‘gesloten antiquariaat’ en handelt slechts per post of internet bestellingen af uit de catalogus. Achter al deze varianten gaat één diep gevoeld maar volkomen subjectief onderscheid schuil, zo blijkt uit Geschiedenis van het Nederlands Antiquariaat van Piet J. Buijnsters. Dat is het onderscheid tussen de elitaire Cerberus die waakt over zijn papieren eigendommen, versus de bijverdienende hobbyist. Bij de een komen de instellingen en de gefortuneerde verzamelaars over de vloer, bij de ander de ‘boekensneuper’, de snuffelaar die niet op kostbaarheden uit is, maar op koopjes. Voor de lezer die tot geen van beide categorieën behoort heeft Buijnsters, emeritus hoogleraar Nederlandse historische letterkunde van de Nijmeegse universiteit, een inleidend hoofdstuk geschreven over de handel en wandel in antiquarische boeken. Zijn boek is een mijlpaal, omdat tot op heden zo’n overzichtswerk niet bestond.

In 1740 konden bezoekers in een Parijse salon zich verkneukelen om Le Singe antiquaire, een schilderij van Jean Baptiste Chardin, waarop een ijdele aap met een vergrootglas naar zijn paperassen staart. De ‘antiquarius’, een ander woord voor de liefhebber en de verzamelaar van oudheden, werd ook belachelijk gemaakt door Voltaire en Diderot die hem als stapelaar van zinloze feiten in de hoek zetten. Maar het is wel aan deze liefhebbers te danken dat er nog zoveel oudheden bewaard zijn gebleven. De grens tussen liefhebberij en handel was klein, en het woord ‘antiquarius’ verbasterde tot antiquaar.

Wanneer precies het eerste antiquariaat is gevestigd, valt niet te zeggen, ook al omdat in vroeger eeuwen in boekwinkels nieuwe en oude boeken door elkaar lagen. Engeland was het land van de bibliomanen maar ook Nederland kende zijn excentriekelingen. De hoofdredacteur van het vakblad Nieuwsblad voor de Boekhandel was er een, deze J.L.C. Jacob sloeg graag een maaltijd over om zo een extra boek te kunnen kopen. Tijdens een boekententoonstelling in 1856 had hij zich niet kunnen bedwingen en een zeldzaam boek uit een vitrine ontvreemd. Men vond de man terug in een hoek met het ‘onooglijke perkamentje tusschen de krampachtig trillende vingers’, aldus een ooggetuige. Buijnsters grossiert in opmerkelijke details, bijvoorbeeld over veilinghouder G.P.H. Zahn, die er rond 1900 ook een praktijk als magnetiseur op nahield, of over A.L.van Gendt die acht kinderen had, onder wie drie tweelingen. Hij memoreert een dramatisch verlopen veiling in 1986, toen gestolen goed moest worden teruggetrokken en bovendien halverwege een bebloede grijsaard binnentrad. Het bleek antiquaar Abraham Horodisch te zijn die van de trap was gevallen en korte tijd later overleed.

Dat het geheel soms meer is dan de som der delen, begon men al in de 19de eeuw te beseffen. De geleerde wereld dankt daar interessante catalogi aan, waarin een antiquaar boeken bijeengezameld te koop aanbiedt over een specifiek onderwerp, bijvoorbeeld ‘Rusland’ of ‘Populair proza’. Dankzij de uitgebreide beschrijvingen in zo’n catalogus kunnen we nu achterhalen wat men destijds belangrijk vond, maar ook boeken ‘ontdekken’ waarvan geen snipper meer is terug te vinden. Er zijn antiquaren die privé zo’n thema verzamelen, uit liefhebberij, maar ook wel uit winstbejag. Dit zijn de gentlemen-dealers die zich laten bewieroken als onderzoeker en bibliograaf, maar die tegelijkertijd bezig zijn de waarde van hun verzameling te vergroten, waarna die op het hoogtepunt te gelde wordt gemaakt. Een andere slimme truc van antiquaren is ‘de ring’, wat betekent dat de handelaren op een veiling een span vormen, en de veilinghouder om de tuin leiden door niet tegen elkaar op te bieden. Later in het café worden de op die wijze te goedkoop gekochte boeken onderling geruild en vervolgens voor veel geld doorverkocht.

Buijnsters publiceerde in 1997 al een voorproefje van zijn Geschiedenis, onder de titel Het Nederlandse antiquariaat tijdens de Tweede Wereldoorlog. Met enkele aanvullingen is deze deelstudie in dit boek opgenomen. Het is het hoogtepunt van zijn Geschiedenis, want waar hij de rest van zijn boek vooral in de vorm van levensbeschrijvingen presenteert, heeft hij voor deze dramatische periode een algemener betoog opgezet, waarin veel speurwerk is verwerkt. De oorlog was voor de antiquarenwereld dramatisch, omdat de handel in oude boeken vooral door joden werd gedreven. De boekenjood was een begrip, een ‘romantisch en decoratief’ specimen dat in de literatuur een archetype werd, zoals in Levi de boekenjood (1899), een novelle van Wilhelmina Riem Vis. Hele joodse families handelden in oude boeken, de familie Blok, Grenade, Lobo, Penha, Mossel, Van Kollem. Een van de meest succesvolle ‘boekenjoden’ was Menno Hertzberger. Hij was aan het begin van de oorlog de antiquaar met het grootste bedrijfskapitaal. Hij was ook lid van de Nederlandse vereniging van Antiquaren (NvvA), de in 1935 opgerichte exclusieve vakorganisatie waar je alleen na ballotage kon worden toegelaten. Op de jaarvergadering van 1940 discussieerden de leden niet over de wereldbrand, maar hoorden zij een causerie aan over ‘de vorm van het boek ten tijde van de Romeinen’. Met de handel in antiquarische boeken ging het steeds beter, onder meer omdat het aanbod nieuwe boeken afnam. Maar voor de boekenjoden, onder wie ook uit Duitsland gevluchte handelaren, zag de toekomst er inktzwart uit. Zo ook voor de joodse verzamelaars, onder wie Frits Lugt, wiens boeken na zijn vlucht door zijn eigen secretaris, een NSB’er, te gelde werden gemaakt. De Vereeniging ter bevordering van de belangen des boekhandels, de overkoepelende brancheorganisatie, bracht door een vragenlijst 47 joodse antiquaren aan bij de nazi’s. Die firma’s werden geliquideerd, of er kwam een Duitsgezinde Verwalter die de zaak verder runde.

Hertzberger overleefde de oorlog schijnbaar probleemloos. Mogelijk bezat hij een immuniteitsverklaring, maar Buijnsters, die Hertzberger in 1979 nog heeft kunnen interviewen voor dit boek, kan dat niet nader verklaren. Buijnsters liep dus 28 jaar geleden al rond met het plan voor zijn Geschiedenis van het antiquariaat. Zeker na zijn voorpublicatie over de Tweede Wereldoorlog, werd het een mythisch boek waarnaar velen verlangend uitkeken. Vooral natuurlijk de antiquaren zelf. Want Buijnsters is niet zomaar iemand op dit terrein, hij is ‘one of us’.

Buijnsters is zelf verwoed verzamelaar, publiceerde enkele studies over bibliofilie, en heeft door de jaren heen menig catalogus ingeleid of opening opgeluisterd met een praatje. Hij baseert zich voor zijn kroniek of ooggetuigenverslag, zoals hij het noemt, niet alleen op talrijke knipsels, boeken en gesprekken, maar ook op zijn eigen boekendagboek en aantekeningen, want archiefmateriaal is er vrijwel niet. Of willen de antiquaren geen pottenkijkers? Pluspunt is, naast zijn gevoel voor details, zijn bevlogenheid: hij kan alsnog enthousiast worden over een in de 19de eeuw ter veiling aangeboden Biblia Pauperum (‘armenbijbel’). Het nadeel is dat hij zich iets te veel heeft laten leiden door zijn eigen contacten. Het is wel een erg ons-kent-ons boek geworden, een familieportret bomvol anekdotes van een eigenzinnig en ietwat excentriek clubje, waar over niemand iets onaardigs gezegd mag worden. Buijnsters’ insiderpositie heeft ook voordelen. Hij weet meer van sommige zaken dan menig ander en bij ontstentenis van archieven is dat een groot goed. Tegelijk stelt hij zich te terughoudend op – om zijn relaties te beschermen? – als het gaat om opmerkelijke transacties of juridische steekgevechten, zoals de belastingfraude van een niet nader genoemde grote firma.

Na de Tweede Wereldoorlog werd het vak internationaler en kreeg het meer standing, voor sommigen althans. Inmiddels kent het antiquariaat geen grenzen meer. Wie op zoek gaat naar een zeldzaam boek, heeft het op internet in een mum van tijd ergens op de wereld gevonden. Voor antiquariaten lijkt internet een zegen omdat het nieuwe klanten trekt, en dure behuizing overbodig maakt. Maar op internet handelen ook particulieren en andere hobbyisten, bijvoorbeeld op boekwinkeltjes.nl. Het gewone oude boek wordt steeds minder waard, echte zeldzaamheden leveren juist meer op. De prijzen kun je gemakkelijk vergelijken. Niet iedere antiquaar is daarom blij met internet. De handel in oude boeken lijkt er laagdrempeliger door geworden. Het adresboekje Boek & Boek (editie 2005) komt op 665 Nederlandse antiquariaten, en ook al worden het er elk jaar minder, het zijn er heel wat meer dan de 63 leden van de NvvA. Maar over dit grote achterland lezen we bij Buijnsters vrijwel niets, ook de boekenmarkten, boekendorpen, en andere tweedehands kanalen komen er met een paar alinea’s bekaaid af. Zijn boek schetst niet de wereld van het antiquarische boek, maar de wereld rondom de NvvA. Een fascinerende wereld, dat wel.

Rectificatie / Gerectificeerd

In haar bespreking van Piet Buijnsters Geschiedenis van het Nederlandse antiquariaat (Boeken, 23.02.07) rekent Lisa Kuitert Frits Lugt onder de ‘Joodse verzamelaars op de vlucht voor de Duitse bezetter’. De familie Lugt week inderdaad uit naar de Verenigde Staten, maar daaruit kan niet afgeleid worden dat Lugt behoorde tot de Joodse verzamelaars. Lugt had, naar hij mij herhaaldelijk verzekerde, een doopsgezinde achtergrond, die in sterke mate bepalend was voor de realisering van zijn levensideaal: zijn collectie toegankelijk te maken voor het publiek. Zijn vrouw Jacoba (‘To’) Lugt -Klever maakte jarenlang deel uit van het bestuur van de Nederlandse Protestanten Bond, afdeling Parijs. Beiden waren aldaar trouwe kerkgangers.

G.J. Bierenga, emeritus remonstrants predikant te Hengelo Ov., van 1961 - 1964 voorganger bij de afdeling Parijs van de N.P.B.