Voor de meritocratie

Het is slecht nieuws dat volgens een Amsterdams onderzoek veel Marokkaanse en Turkse Nederlanders ondanks een goede Citoscore niet op havo of vwo terechtkomen. De oorzaak van deze ongunstige plaatsing is dat de leraar hun adviseert naar het vmbo te gaan. Het advies van de docent telt ten minste zo zwaar als de score in de Citotoets aan het einde van de basisschool. Voor minderheden blijkt dit advies ongunstig uit te pakken. Dat is niet alleen schadelijk voor die leerlingen, maar ook voor de samenleving, die baat heeft bij burgers die hun talenten zoveel mogelijk kunnen benutten.

Leraren kunnen goede bedoelingen hebben met hun lage advies. Ze kennen de gezinsachtergrond en sociale omstandigheden van de leerlingen, die in arme immigrantenwijken vaak minder gunstig zijn dan bij de welgestelde middenklasse. Een leerling uit een milieu met achterstanden in taal en ontwikkeling moet een grotere afstand afleggen om op school te kunnen slagen. Toch is het onverstandig een kind een harde leerweg te willen besparen.

Een hoge Citoscore kan een toevalstreffer zijn voor leerlingen die in hun eerdere schoolcarrière matig presteerden. Maar dat kan de grote verschillen tussen bevolkingsgroepen niet verklaren. Van de Marokkaanse Nederlanders krijgt 41 procent een laag advies bij een hoge Citoscore, bij de Turkse Nederlanders is dat 44 procent, tegenover 28 procent voor autochtonen. Bij kinderen van hoger opgeleide ouders is de kans ook groot dat ze op een schooltype terechtkomen dat voor hen te moeilijk is. Zij krijgen meer hulp bij hun huiswerk en hebben soms een voordeel op medeleerlingen doordat ze thuis Citotoetsen op de computer kunnen oefenen. Veel kinderen uit achterstandsmilieus missen die steun en dat maakt hun prestaties op school des te groter. Maar ze hebben meestal geen ouders die het onderwijs op school kritisch volgen en leerkrachten weerwoord kunnen geven.

In alle westerse landen staat de meritocratie – waardering op grond van prestaties en niet op grond van afkomst – onder druk. Mensen blijven meer opgesloten in hun eigen milieu, bij onderwijs en bij de keuze van huwelijkspartners. De staat moet zijn best doen die stagnatie te doorbreken en de weg naar boven te helpen openen. Nederland heeft als nadeel dat kinderen al op de relatief jonge leeftijd van 12 jaar worden uitgeselecteerd voor hoger of lager voortgezet onderwijs. Het is aan leraren om de harde effecten te verzachten en het beste te halen uit een kind dat nog moet doorgroeien. Niet door kinderen uit achterstandsmilieus naar relatief gemakkelijke opleidingen te sturen, maar door hen tot betere prestaties uit te dagen.

Centrale examens en toetsen bieden onmisbare objectieve maatstaven. Iedereen moet daaraan kunnen meedoen, ook in Amsterdam. Het onderzoek in Amsterdam verdient navolging in andere steden. De mogelijkheid tot sociale stijging is de kern van de meritocratie die het beste uit alle burgers probeert te halen.