Vaderlijk advies uit Den Haag

‘Jongen, als een meisje zegt dat ze zwanger van je is – áltijd ontkennen.” Die zin is het enige stukje seksuele en morele voorlichting dat mijn vader me ooit heeft gegeven. En dan nog, vrees ik, kwam het voort uit troebele motieven. Mijn vader schepte graag op over zijn seksuele avonturen op de HBS, die sterk contrasteerden met de schuchterheid die zijn zoon als gymnasiast in haar greep hield – een staaltje van seksuele jaloezie van vader jegens zoon waarvan ik de diepere drijfveren graag aan deskundigen overlaat.

Ik persoonlijk prijs mij gelukkig dat vaders misprijzende conclusie, dat ik wel homoseksueel zou zijn, niet is uitgekomen. No hard feelings, ik heb mijn morele vorming, voor zover daar sprake van is, elders opgedaan. Maar het wordt het mij wel enigszins vreemd te moede, wanneer ik in het regeerakkoord van het kabinet-Balkenende IV lees: „In het gezin worden kinderen opgevoed, wordt geborgenheid geboden, en worden essentiële waarden voorgeleefd en overgedragen aan volgende generaties.” Over wie zou dat gaan, denk ik dan.

Wat een vreemd land, waar een regeerakkoord de vorm aanneemt van een herderlijk schrijven. Als er stond ‘U moet meer belasting betalen want die scholen van ons, zo kan dat niet langer’ – ik had er vrede mee. Maar er staat: „Ieder mens heeft talenten en mogelijkheden. Ontplooiing van talenten is belangrijk voor mensen zelf en voor de samenleving.”

Ik heb dat advies van mijn vader nooit nodig gehad – überhaupt zijn er mijnerzijds geen noemenswaardige pogingen tot gezinsvorming ondernomen. Na het verschijnen van het regeerakkoord is er elders al op gewezen dat ik niet alleen sta met mijn bezwaren. In de stad Amsterdam, waar ik woon (‘leef’ moet ik misschien in de stijl van het regeerakkoord zeggen), bevindt zo’n beetje de helft van de bevolking zich buiten het soort gezinsverband waar het nieuwe kabinet over zwijmelt

Als ik hier lollig probeerde te zijn, zou ik ‘een nieuwe klassenstrijd’ afkondigen – van kinderlozen tegen gezinnen. Maar daartoe ontbreekt mij de motivatie. In André Gide’s beroemde zin uit Les nourritures terrestres heeft de haat jegens het gezin ook niet voor niets een ondertoon van afgunst: „Famille je vous hais!! Foyer clos, portes refermées, possession jalouse du bonheur”. (Gezin, ik haat U. Gesloten huis, vergrendelde deuren, zelfzuchtige hebberigheid van het geluk). Ik hoop van harte dat het gezin niet voor alle kindertjes is waar ik het voor houd: een laat-kapitalistische, in essentie psychotische constructie.

Van die passage over het gezin word ik een beetje achterdochtig – en dan heb ik het nog even niet over het afschuwelijke neologisme ‘voorleven’. De staat (het regeerakkoord spreekt van ‘overheid’, behalve bij de Palestijnen) is immers ook bij uitstek het instituut voor repressie en wordt – na een periode van tolerantie in de afgelopen decennia – als zodanig tegenwoordig weer meer gewaardeerd als middel tegen misdaad, terrorisme en allerlei leegloperij. Het zal toch niet de bedoeling zijn om, zoals in het verleden, in één vloeiende beweging bepaalde zedelijke en morele opvattingen in de bevolking even mee te nemen?