Tussen de kleine en grote dood

Désanne van Brederode: Hart in hart. Querido, 324 blz. € 18,95

Wie is er nog geïnteresseerd in de waarheid? Niemand, althans zo lijkt het te zijn in de omgeving van Lot Sanders, de gevierde journaliste die de hoofdrol heeft in Hart in hart, de vierde roman van Désanne van Brederode. Deze Sanders is beroemd geworden met empathische reportages over diepmenselijke ellende in een kwaliteitsweekblad, maar voelt zich daar eigenlijk niet meer op haar plaats. De voornaamste reden daarvoor is dat haar collega’s geobsedeerd zijn door de angst om voor conservatief of ontoegankelijk versleten te worden. Zoals de hoofdpersoon schrijft: ‘Ieder fijnzinnig portret moet een pamflet worden – dat is het onuitgesproken beleid’.

Het is een inktzwarte analyse van de journalistieke praktijk die Van Brederode, behalve schrijfster ook columniste van het televisieprogramma Buitenhof, al uiteenzette in haar vorig jaar verschenen ‘pamflet’ Modern dédain. Daarin schetst zij een beeld van een culturele elite die doodsbang is geworden voor de massa, die zijn eigen culturele waarden niet meer durft te verdedigen. Het boekje (besproken in Boeken, 03.03.06) werd in deze krant bekritiseerd omdat de auteur weliswaar opriep tot een wij-gevoel onder allen die de hogere cultuur willen, maar niet goed duidelijk kon maken wat dan precies verdedigd moest worden en waarom.

In het begin van Hart in hart zie je de columniste Van Brederode terug in beschrijvingen van het onechte culturele wereldje in Amsterdam, waar iedereen gevangen zit in oppervlakkigheden, zowel fysiek (‘Academisch ogende mannen bezig aan een tweede leg met hippe, maar uitgewoonde meisjesvrouwen’) als ideologisch (zelfbenoemd progressief, met een blinde vlek voor religiositeit). Het is een wereld waarin de tapas lekker zijn, maar nooit zelfgemaakt.

Zo lijkt deze roman zich te ontwikkelen als een grootstedelijke satire, maar dat is schijn. Lot Sanders stelt zichzelf ten doel onder de alomtegenwoordige oppervlakkigheid te zoeken naar de waarheid en, in een moeite door, naar wat van waarde is. Dat doet ze in haar artikelen (al meent ze dat die verkeerd begrepen worden) en bij de mensen in haar omgeving. Eerst nog onbedoeld, wanneer ze Wieger Berkman, een gewaardeerd columnist van haar tijdschrift betrapt nadat deze een prostituee heeft bezocht. Later doelbewust wanneer ze deze Berkman via een omweg het geheime liefdesleven van haar overleden echtgenoot (een charismatische grootheid in de fair trade business) laat onderzoeken.

En bij zichzelf, waarbij ze stuit op een combinatie van haar neiging om alles in haar leven te idealiseren en haar robuuste levensangst: als meisje wilde ze geen zandkastelen bouwen omdat die niet zouden kunnen tippen aan de kastelen in haar verbeelding. Iets dergelijks geldt voor haar omgang met seksualiteit, waarbij huwelijkse trouw samengaat met een voorliefde voor masturbatie. De ‘kleine dood’ van het orgasme gaat samen met aanvallen van zelfhaat, soms met het aardappelschilmesje in de hand.

Zo is Hart in hart een zoektocht in een wereld waarin religiositeit een seksualiteit even beschroomd weggestopt worden. Ook gaat de roman over rouw en ouderschap, over vergeving en overspel, over de verhouding tussen wereldleed en persoonlijk leed, over Graham Greene en moslimextremisme. En over eenzaamheid: ‘Ons libido is een sublimatie, of liever materialisatie, incarnatie, vleeswording, van een verlangen gekend te worden en te kennen. Van hart tot hart. Nog liever: hart in hart.’

In deze ‘metafysica van de begeerte’ komt veel interessants voorbij, maar evenveel losse aanzetjes en vreemde wendingen. Zo maakt Van Brederode mooi invoelbaar hoe de dwangmatige versierder annex betrapte hoerenloper Berkman bij Lot in het gevlij probeert te komen en zo probeert zichzelf te overstijgen. Daar tegenover staat dat de geheimen uit het leven van Sanders’ dode echtgenoot zo plat en ongeloofwaardig zijn dat je ze zelfs niet in een B-film zou verwachten. Dat kan opzet zijn van de auteur (‘Ik vind het hier en daar kitsch’, wordt er elders over een verhaal van Lot gezegd), maar van zo’n knipoog wordt een roman niet beter. Iets dergelijks geldt voor de herinnering van Lot dat ze ooit door haar moeder werd betrapt bij het masturberen, waarna haar werd verboden om naar Live Aid te kijken. Dat wijst nogal opzichtig vooruit naar het moment waarop ze later zal vallen voor een man die als een modernere variant van Bob Geldof strijdt tegen armoede en onrecht in Afrika.

Typerend voor deze roman is de volgende zin, waarin ze haar hoofdpersoon op de vismarkt in extase brengt: ‘Mijn tong tintelt bij de aanblik van al dat onwerkelijke, sprookjesachtige vlees, ik lik in gedachten het rood van de ponen en het loden blauw van de kabeljauwen, ik drink tonijnenbloed en proef daarna zee en zout en puberale huilbuien “om alles”. Lang niet gehad.’ Het is een prachtig zinnelijk beeld, tot even voor het einde. Precies op het moment dat je erdoor gegrepen bent, komt die huilbui ertussendoor en wordt alle vis weer uitgewist.

De kracht van Hart in hart zit dan ook niet in de afwerking (al was van Brederodes vorige roman Het opstaan een stuk rommeliger). De kracht zit ook niet in wat schuil blijkt te gaan onder de in het begin van de roman zo adequaat beschreven oppervlakkigheid. De aanzetten tot antwoorden waarmee de auteur komt zijn vooral duistere dierlijkheid en een geheim godsverlangen dat al vaker beschreven is.

Nee, het fascinerende van deze roman is de volharding waarmee Van Brederode zich in haar materie heeft vastgebeten, in de vraag wat er dan wél van waarde is. Waar moet de losgeslagen moderne mens naar streven, wat moet tegen elke prijs verdedigd worden? Daarbij neemt ze geen genoegen met de eenvoudige antwoorden (God, liefde, goede werken). Zo is Hart in hartte lezen als een onderzoek naar precies datgene wat ontbrak in Van Brederodes pamflet Modern dédain. Je zou het zelfs kunnen lezen als een aanval van de auteur op zichzelf, of in ieder geval op degene in zichzelf die fijnzinnige portretten wil terugbrengen tot een pamflet. Dat is een missie waarmee een schrijver nog jaren voort kan.