Schuldig. Waaraan?

Het staat vast dat er gruwelijke dingen zijn gebeurd met de Armeniërs in het Turkse rijk in 1915. Is het voor een moreel-historisch oordeel wel zo belangrijk of de fel omstreden term ‘genocide’ gerechtvaardigd is?

Taner Akçam: A Shameful Act. The Armenian Genocide and the Question of Turkish Responsibility. Metropolitan Books, 484 blz. €29,-

De moord op de Armeense journalist Hrant Dink vorige maand maakt duidelijk dat het verleden Turkije momenteel meer dan ooit parten speelt, juist op het moment dat het land door toetreding tot de Europese Unie een sprong naar de toekomst wil maken. Dink had jarenlang aangedrongen op officiële erkenning dat er in 1915 een volkerenmoord op de Armeniërs heeft plaatsgevonden, en dat had hem veel vijanden opgeleverd. De pijnlijke foto’s van plaatselijke politieagenten die gemoedelijk met Dinks net gearresteerde moordenaar poseren, tonen hoe sterk de Turks-nationalistische, extreem-rechtse en anti-Europese sentimenten op dit moment zijn. Hoopgevend was echter dat pers en politiek de moord onmiddellijk en ondubbelzinnig veroordeelden. Dat was tien of vijftien jaar eerder wel anders geweest.

De Armeense kwestie wordt in Turkije slechts langzaam aan bespreekbaar. Daarbij past geen neerbuigendheid vanuit Europa. Het verwerken van een gewelddadig verleden is altijd pijnlijk; dat geldt ook voor Nederland en de politionele acties en voor Frankrijk en de Algerijnse onafhankelijkheidsoorlog. Dat er in 1915 slechts sprake was van gerechtvaardigde veiligheidsmaatregelen tegen de achtergrond van een oorlog – en niet van genocide – staat al decennia lang in Turkse schoolboeken. Er zijn inmiddels meerdere generaties Turken opgegroeid die deze lezing in alle oprechtheid geloven. Maar het zijn niet alleen Turkse nationalisten die zo redeneren. Ook vooraanstaande historici van het Ottomaanse rijk als Bernard Lewis en Stanford Shaw en de Israëlische elder statesman Shimon Peres hebben ontkend dat het woord ‘genocide’ op de Armeniërs van toepassing is.

De grote lijnen van wat er in 1915 is gebeurd zijn bekend: tijdens de Eerste Wereldoorlog gingen de toenmalige Turkse machthebbers over tot de deportatie van grote aantallen christelijke Armeniërs die in de grensprovincies met Rusland leefden. Vele honderdduizenden mensen kwamen daarbij om het leven. Maar meteen daarna beginnen de vragen: hoeveel mensen zijn er precies omgekomen? Schattingen lopen uiteen van driehonderdduizend tot anderhalf miljoen. Speelde religie een rol bij de vervolging van de christelijke Armeniërs door de islamitische Turken? Wat waren precies de redenen voor de deportaties? Lag er een plan achter om de Armeniërs uit te roeien, zoals pro-Armeense historici beweren?

Eén verklaring kan onmiddellijk terzijde worden geschoven: de massale deportaties en moordpartijen waren niet simpelweg het resultaat van een eeuwenoude vijandschap tussen moslims en christenen. Zo’n verhaal laat onverklaard waarom zulke vervolgingen niet veel eerder plaatsvonden, en waarom in 1915 alleen de Armeniërs in deze mate het slachtoffer werden.

Van Turkse zijde wordt vaak aangevoerd dat de christelijke Armeniërs een veiligheidsrisico aan het Russische front vormden, maar zo’n strategische verklaring is onbevredigend. Er werden immers ook Armeniërs gedeporteerd en gedood die ver van de frontlinie leefden. Ook de juridische rechtvaardiging dat de Armeniërs, die in 1915 naar onafhankelijkheid streefden, terecht werden bestraft voor hun ‘landverraad’ is op z’n minst problematisch. De identiteit van en loyaliteit aan het Ottomaanse rijk waren in deze periode buitengewoon twijfelachtig geworden, door aanhoudende oorlogen, staatsgrepen en diverse onafhankelijkheidsbewegingen.

Aan de andere kant worden bronnen die op genocide wijzen, zoals berichten van Armeense overlevenden en buitenlandse waarnemers, soms terecht afgedaan als eenzijdig, bevooroordeeld of anti-Turks. Dat bezwaar van partijdigheid wordt echter moeilijker vol te houden als je kijkt wat Turkse archieven te melden hebben. En dat is precies wat Taner Akçam in A Shameful Act doet. Hij traceert de gebeurtenissen van 1915 aan de hand van verslagen van Turkse parlementsbijeenkomsten en rechtszaken, berichten uit Turkse kranten van die tijd, en brieven en herinneringen van diverse Turkse betrokkenen. Akçam, een voormalige linkse activist, kreeg in 1976 politiek asiel in Duitsland, en is in de afgelopen decennia een van de voornaamste pleitbezorgers geworden van een open Turks debat over de Armeense kwestie. Een eerste versie van zijn boek verscheen in 1996 in het Duits; in 1999 verscheen er ook een Turkse uitgave.

Akçam is een van de eerste Turkse historici die de bronnen gebruikten om voorbij de extremen van anti-Turkse propaganda en Turks-nationalistische ontkenning te komen. Zijn boek is niet alleen belangrijk omdat het nadrukkelijk de dialoog met een Turks publiek zoekt en omdat het veel nieuwe informatie geeft over het precieze verloop en karakter van de gebeurtenissen; hij toont ook aan dat de deportaties onder Turkse tijdgenoten veel meer omstreden waren dan doorgaans wordt beseft.

De gebeurtenissen van 1915 kwamen niet uit de lucht vallen, maar waren het resultaat van binnenlandse, buitenlandse en ideologische factoren. Buitenlandse bemoeienis wakkerde de tegenstellingen tussen verschillende bevolkingsgroepen alleen maar aan. Met name Engeland en Rusland bemoeiden zich steeds actiever met het welzijn van christelijke Ottomaanse onderdanen, zoals Serviërs, Grieken en Armeniërs. Akçam benadrukt dat achter zulke humanitaire interventies dikwijls een wens schuilging om het Ottomaanse rijk verder op te delen. Daardoor gaven de Griekse onafhankelijkheidsoorlog, de Krimoorlog en nationalistisch geweld op de Balkan vele islamitische Ottomanen de angst dat meer macht voor christenen onvermijdelijk zou leiden tot bloedbaden onder moslims. Die toenemende angst mondde in 1895 en 1896 uit in anti-Armeense pogroms, waarbij vermoedelijk zo’n honderdduizend slachtoffers vielen.

Naast buitenlandse bemoeienis was er ook een aanhoudende binnenlandse machtsstrijd. De ‘Jong-Turkse revolutie’ van 1908 herstelde de constitutionele monarchie en gelijke rechten voor alle onderdanen. In deze tijd kwam het zogeheten Comité voor eenheid en vooruitgang (Ittihad ve Terakki Cemiyeti) aan de macht, een partij die aanvankelijk liberale, constitutionele en pluralistische idealen nastreefde. De leden ervan werden ook wel ‘Unionisten’ of ‘Jonge Turken’ genoemd. In 1913 pleegde de extremistische vleugel van de Unionisten een nieuwe staatsgreep. Een driemanschap dat bestond uit de legerofficieren Talat, Enver en Djemal vestigde een repressieve dictatuur, gebaseerd op een agressief Turks nationalisme.

Een derde belangrijke factor was de opkomst van verscheidene nieuwe ideologieën. Sommigen formuleerden een nieuwe pan-islamitische ideologie, die alle moslims ter wereld wilde verenigen onder de Ottomaanse sultan. Maar belangrijker waren het Turkse nationalisme, dat uit het multinationale Ottomaanse rijk een uitsluitend of in meerderheid door Turken bewoonde natiestaat wilde vormen, en het pan-Turkisme, dat streefde naar één groot rijk voor alle Turkse volkeren tussen de Bosporus en Centraal Azië. Daardoor werden echter de Armeniërs, die geografisch precies tussen de verschillende Turkse broedervolkeren in leefden, opeens tot de voornaamste belemmering voor het pan-Turkisme.

Het is deze combinatie van buitenlandse inmenging en binnenlandse machtsstrijd, aangewakkerd door een extreem-nationalistische ideologie, die de Armeniërs uiteindelijk fataal is geworden. Wat Akçams boek duidelijk maakt is dat paniek een belangrijke onmiddellijke drijfveer voor de daders was. Begin 1915 zat het Ottomaanse rijk in de tang. In het westen hadden de Britten een offensief bij de Dardanellen gelanceerd, om toegang tot de Bosporus te veroveren. In het oosten was in januari een Ottomaans offensief tegen de Russen bij Sarikamisj op een verpletterende nederlaag uitgelopen. Het besluit tot de massale deportatie van Armeniërs werd genomen in deze benarde omstandigheden. Het moest een snelle, radicale en definitieve oplossing van de Armeense kwestie forceren. Een opstand onder de Armeniërs in april 1915 in de oostelijke stad Van was de aanleiding, of het excuus, voor het bevel.

Op het officiële deportatiebevel van het ministerie van Buitenlandse Zaken volgde een geheim bevel van het centraal comité, dat aan het loyale partijkader de ware – en volgens Akçam genocidale – bedoelingen doorgaf. Een prominente Unionist, Halil Mentesje, schrijft in zijn memoires dat het Talat Pasja, de leider van het driemanschap, was die voorstelde om ‘het land van zijn verraderlijke elementen te zuiveren.’

Anders dan de bloedbaden van 1895 en 1909 weerspiegelen de deportaties van 1915 niet alleen de doodsstrijd van een imperium, maar ook de geboorte van een nationale staat. De maatregelen werden via grotendeels geheime lijnen uitgevoerd. Het Turkse leger was niet als zodanig bij de deportaties betrokken. De uitvoering ervan lag bij partijkader en bij de speciale milities van de Tesjkilât-i mahsûsa of ‘speciale organisatie.’ Die laatste bestond uit onder meer Koerdische stammen en vrijgelaten criminelen en stond onder direct gezag van de partij.

Volgens Akçam werden die milities langs de deportatieroute gestationeerd met het specifieke doel om zoveel mogelijk Armeniërs te doden. Daarnaast werd de plaatselijke bevolking aangemoedigd om de huizen van de gedeporteerden te plunderen. Zo werd ze tegelijkertijd medeplichtig gemaakt. Bovendien werden de burgers gewaarschuwd geen Armeniërs te helpen onderduiken, op straffe van onmiddellijke ophanging. Desondanks stuitte de uitvoering van de deportaties op diverse plaatsen op verzet van gouverneurs en legerofficieren, en van lokale moslims die hun Armeense buren of dorpsgenoten onderdak verleenden. Eén gouverneur protesteerde bij de machthebbers tegen het deportatiebevel: ‘Ik ben een gouverneur en geen bandiet. Ik kan het niet doen. Ik zal deze post verlaten en je kunt het zelf komen doen.’ Lokale gezagsdragers en moslimbevolking stonden allerminst als één man achter de gruwelijke maatregelen van het driemanschap.

Het zijn juist deze geheimhouding en parallelle bevelstructuur van het driemanschap die het aantonen van de opzet om de Armeniërs als zodanig uit te roeien, en daarmee van volkerenmoord in de juridische zin, bemoeilijken. Voor de belangrijkste besluiten hebben we alleen indirecte aanwijzingen. Toch slaagt Akçam erin om het bestaan daarvan aannemelijk te maken. Materiaal uit Turkse kranten en archieven geeft sterke aanwijzingen dat de deportaties het verwijderen of zelfs vernietigen van een hele bevolkingsgroep als zodanig tot doel hadden. Boven alle redelijke twijfel verheven is die conclusie echter niet, althans niet op grond van het door Akçam geboden bewijsmateriaal. Zijn boek presenteert geen smoking gun, documenten van onbetwiste authenticiteit die ondubbelzinnig tonen dat het regime inderdaad op de totale vernietiging van de Armeniërs uit was. Historisch bewijs van massamoord is nog geen juridisch bewijs van genocide.

Het bestaande bronnenmateriaal maakt echter zonder meer duidelijk dat de machthebbers veel te weinig hebben gedaan om de veiligheid van de gedeporteerden te waarborgen. Als het doel inderdaad slechts deportatie was geweest, hadden de civiele en militaire autoriteiten veel meer kunnen – en moeten – doen om voor veiligheid onderweg en voedsel en andere voorzieningen te zorgen. De vraag of de enorme aantallen Armeense burgerslachtoffers het resultaat zijn geweest van opzet of van onverschilligheid is nog niet definitief beantwoord, maar aan de gruwelijkheid van de maatregelen van het driemanschap doet dat weinig af.

Pas na het einde van de Eerste Wereldoorlog werd de omvang van de misdaden van 1915 duidelijk. Niet alleen buitenlandse mogendheden, maar ook de binnenlandse oppositie en delen van de pers eisten de vervolging van de daders. Na de wapenstilstand van 1918 en het aftreden van Talâts regering, stelden de nieuwe Turkse machthebbers zelf een militair tribunaal in om de daders te berechten. De hoofdverdachten, Talât, Enver en Djelal, waren echter al naar Duitsland gevlucht. Uiteindelijk zouden Talât en Djemal door Armeense activisten vermoord worden; Enver stierf tijdens nieuwe militaire avonturen in Centraal-Azië.

Akçam verklaart de Turkse onwil om de genocide te erkennen, als een probleem van de nationale identiteit. Sommigen van de voornaamste daders van de volkerenmoord, zoals Enver Pasja, zijn postuum tot helden van de Turkse onafhankelijkheidsoorlog verklaard; anderen kregen leidende posities in de nieuwe Turkse republiek. Het is niet eenvoudig om zulke nationale idolen van hun voetstuk te stoten.

De omgang met dit beladen verleden zou te vergemakkelijken zijn door de hoofdverantwoordelijkheid voor de Armeense bloedbaden niet bij ‘de’ Turken of zelfs maar bij de toenmalige Turkse regering te leggen, maar veel specifieker bij het dictatoriale leiderschap van de Unionisten. De leider van de latere onafhankelijkheidsbeweging, legerofficier Moestafa Kemal (de latere Atatürk) had niets met de deportatieplannen van het driemanschap te maken. Kemals houding was genuanceerder dan zowel pro-Turkse en pro- Armeense stemmen doen voorkomen. Tegenover buitenlandse journalisten distantieerde hij zich ondubbelzinnig van de daders; in interne besprekingen benadrukte hij dat deze ‘schandelijke daden’, zoals hij ze noemde, het werk van een groep omstreden leiders uit het verleden waren, en niet voor politieke druk op Turkije misbruikt mochten worden. Al nam hij sommige van de betrokkenen op in zijn regering, toch vond hij dat Turkije zich moest bevrijden van deze politieke en morele bezoedeling. Volgens Akçam kan Atatürks houding een belangrijk modelzijn voor het hedendaagse Turkse debat. Europese populistische politici die nu de kwestie van volkerenmoord aangrijpen om Turkije buiten de EU te houden, en Turken in West-Europa de mond te snoeren, spelen juist nationalistische en xenofobe kringen in Turkije in de kaart, en bemoeilijken het moedige en waardevolle werk van auteurs als Akçam.

Wilt u reageren? boeken@nrc.nl

Rectificatie / Gerectificeerd

Van A Shameful Act van Taner Akçam (besproken in Boeken, 23 februari) verschijnt eind april een Nederlandse vertaling bij uitgeverij Nieuw Amsterdam onder de titel De Armeense genocide. Een reconstructie.