Orgeldraaiersleed

Joseph Roth: Rebellie. Vertaald door Wilfred Oranje. Atlas, 142 blz. €18,50

In een stuk over het succes van de literaire non-fictie in Nederland, dat vorig jaar in deze krant verscheen, vertelde een aantal schrijvers in dit genre over hun ‘geheime, onuitgesproken genootschap’. Dat bestaat uit Geert Mak, Frank Westerman, Annejet van der Zijl, Jan Brokken en Christine Otten; een groep auteurs met dezelfde benadering, maar die niet met een manifest naar buiten treedt. Over wat hen dan wel bindt verklaarde Mak: ‘‘We kennen allemaal Joseph Roth van a tot z.”

Een sprekend voorbeeld van het lot dat deze Oostenrijkse schrijver, van Galicisch-joodse afkomst, nu is beschoren: door ingewijden op handen gedragen, maar bij een breder publiek onbekend. In de jaren twintig was Roth de absolute meester in de tak van dagbladjournalistiek die hij naar zijn eigen hand had gezet, en die veel raakvlakken vertoonde met wat nu ‘literaire non-fictie’ heet. Hij was met zijn ongekende scherpe observaties van het alledaagse leven, de Europese politiek en zijn sfeervolle reisimpressies het paradepaardje van de Frankfurter Zeitung. Toch is Roth bekender geworden door zijn romans uit de jaren dertig, zoals Radetzkymars en Job. Liefhebbers achten zijn schrijverschap van dezelfde klasse als dat van Dostojevski, Tsjechov en Kafka.

Roths romans uit de jaren twintig genieten minder bekendheid. Ze werden overschaduwd door zijn non-fictie uit die periode. Uitgeverij Atlas brengt daar nu verandering in door ook deze op te nemen in haar serie Roth-vertalingen. De korte roman Rebellie uit 1922 is één van de schatten die klaarliggen om te worden herontdekt. Trefzeker in de beschrijving van de karakters, de situaties en intriges, doet het eerder aan Tommy Wieringa en Dimitri Verhulst denken dan aan een ruim tachtig jaar oude, uit het Duits vertaalde roman. De korte, heldere zinnen werken hieraan mee, net als de warme ironie waarmee Roth zijn personages aanzet. Vertaler Wilfred Oranje heeft oog voor Roths humor, die tegelijkertijd melancholisch en scherpzinnig is, en vaak in de nuance van de frasering verborgen zit.

Rebellie behandelt met al zijn luchtigheid grote thema’s: de ontluistering van het geordende wereldbeeld van een oorlogsveteraan, Andreas Pum. Zijn terugkeer in de burgerlijke wereld doet hem zijn vertrouwen in God en vaderland verliezen, maar voor een leven buiten hiërarchische kaders is hij niet in de wieg gelegd. Hij doet aanvankelijk dapper zijn best. Met zijn geamputeerde been maakt hij weinig kans om weer normaal aan de kost te komen, maar de hem toegewezen draaiorgelvergunning ervaart hij als een godsgeschenk. Als hij dan ook nog in de gratie van een stevig gebouwde weduwe valt, kan hij zijn geluk niet op.

Daaraan komt een eind als Andreas in de tram geschoffeerd wordt door een welgestelde zakenman, met nota bene dezelfde gezagstrouwe opvattingen als hijzelf. Die beschuldigt hem ervan dat zijn ontbrekende been alleen maar de simulatie van een profiteur is. Op dat moment komt alle opgekropte woede in Andreas vrij, en die botviert hij vervolgens op elke gezagsdrager die zich met het akkefietje bemoeit. Tijdens de zes weken gevangenisstraf die hij zich zodoende op de hals haalt komt Andreas tot de conclusie dat de wereldorde waaraan hij zich altijd onderworpen had, feitelijk een kwestie van willekeur en macht is. Dat wat altijd vanzelfsprekend was, wankelt: ‘Je kunt God verliezen. God valt uit je kniegewricht.’

Zijn pogingen om dan maar als rebel door het leven te gaan verliezen het echter van de levensmoeheid die hem overvalt. In de slotscène spuit Andreas al zijn frustraties in de rechtszaal, en die locatie had net zo goed het hemelse gerechtshof kunnen zijn. Andreas richt zich in ieder geval tot God, in een machteloze aanklacht waarin de grote levensvragen zich moeiteloos vermengen met de alledaagse pietluttigheden. Het antwoord van de rechter vertolkt Andreas’ diepste wensen: ‘Wil jij suppoost in een museum of bewaker in een groen park zijn of een kleine tabakskraam hebben op een straathoek?’

Met de antiheld Andreas Pum nam Roth vooral zichzelf op de hak. Ook Roth had in het Oostenrijkse leger gediend, maar nog meer indruk op hem maakte de naoorlogse ontbinding in afzonderlijke natiestaten van het keizerrijk, dat hij als multiculturele smeltkroes had geïdealiseerd. Nostalgie naar de oude Europese orde werd dan ook het hoofdthema van Roths werk tijdens de jaren dertig.