Ontvleugelde woorden

Naar Dante illustratie Erik Bindervoet Bindervoet, Erik

Blijft onverlet dat er met vertalingen wel eens iets de mist in gaat, ondanks alle goede bedoelingen en inspanningen, alle kennis en nijverheid van de vertaler. Of misschien zelfs wel juist daardoor.

Neem bijvoorbeeld de titanenarbeid, een Sisyphus waardig, van Ike Cialona en Peter Verstegen. Zij vertaalden de hele Divinia Commedia van Dante met behoud van terza rima, het speciaal voor dit werk door Dante uitgevonden rijmschema (aba bcb cdc etc.), en met behoud van het strakke ritmische keurslijf van de elflettergrepige hendekasyllabe oftewel een afgemeten drieëndertig lettergrepen per terzine. En dat honderd canto’s lang van alles bij elkaar 14.233 regels.

Verduiveld, bijna onvoorstelbaar knap. Dat moet een Hel geweest zijn om eraan te beginnen, een Vagevuur en een Loutering toen ze ermee bezig waren en de Hemel toen ze ermee konden ophouden. Het begint zo, met de overbekende constatering van de dichter die halverwege zijn leven in een donker bos de weg is kwijtgeraakt:

Op ’t midden van ons levenspad gekomen,

Kwam ik bij zinnen in een donker woud,

Want ik had niet de rechte weg genomen.

Het zingt, het danst, het slingert zich moeiteloos van lettergreep naar lettergreep, het huppelt en het trippelt op de tong en – het glijdt als zand door je handen. Je houdt er niks anders aan over dan een onbevredigd gevoel. Hoe kan dat nou? Kan een vertaling misschien ook té goed zijn? Te vlot leesbaar? En dat vooral op momenten dat je juist niet voortgestuwd wilt worden op de kabbelende stroom van rijm en ritme, in het kanootje van authentiek Vertaliaanse stoplappen.

In de eerste regel zijn dat bijvoorbeeld het geëlideerde ‘’t’ en het qua betekenis volstrekt overbodige ‘gekomen’, dat er alleen maar staat omdat er op gerijmd moet en ook makkelijk kan worden. Daardoor blijft er van de eerste zin als gevleugeld woord weinig meer over. Het is geen zin meer om nonchalant in een gesprek over tafel te gooien. Er blijft niets hangen, omdat je nergens tegen aangestoten bent.

Geen kiezel te vinden op dat levenspad. Geen ekster om je aandacht af te leiden. Geen moeite die je hoeft te doen om iets te begrijpen, omdat je alleen maar het stippellijntje van de route hoeft te volgen. Het strakke ritme is een slappe dreun geworden en de rijmen zijn stoplappen. Je wordt aan het handje meegenomen en aan het eind van de rit sta je op de punt van de pijl die wijst naar Dante.

Martinus Nijhoff schreef ooit over door Hendrik de Vries vertaalde Spaanse volksliederen: ‘Zodra het meer gaat rijmen en dreunen hoor ik een schrale gewildheid in plaats van de eenvoudige klankvolheid ener Latijnse taal.’

Dat was ook een van zijn kritiekpunten op de Dantevertaling van Verwey die zich ook nog eens in ‘alle mogelijke taalbochten en stijlkronkels’ wrong om maar in het spoor van Dante mee te kunnen komen. En dat is eigenlijk het omgekeerde van wat Cialona en Verstegen hebben gedaan. Zij hebben juist de weerbarstigheid opgeofferd aan de vlotte leesbaarheid. Het is ook nooit goed of het deugt niet in Vertalië.

ROBBERT-JAN HENKES& ERIK BINDERVOET

Ga in discussie met Henkes en Bindervoet op hun weblog: www.nrc.nl/vertalie