Naar de sneeuw (3)

Rintje naar de sneeuw (3) illustratie Sieb Posthuma Posthuma, Sieb

‘Wakker worden!” roept mama. „We zijn er bijna!” Rintje, Tobias en Henriette schrikken wakker.

„Waar ben ik?” vraagt Henriette.

„In de trein op weg naar Zwitserland!” zegt mama. „Was je het vergeten?”

„Moet je kijken!” roept Rintje. „Overal ligt sneeuw!”

Alle drie drukken ze hun snuit tegen het raam.

„De hele wereld is helemaal wit!” zegt Tobias. „Er hangen ijspegels aan de dakgoten. Ze glimmen helemaal in de zon!”

„Wat een grappige huizen hebben ze hier,” zegt Rintje. „En in de verte zie

ik het station al!”

Als de trein stilstaat stappen ze uit en lopen naar de taxi’s die voor het station staan. Mama laat het adres van het hotel zien en even later rijden ze door de straten van het stadje.

„Mooi!” zegt Henriette. „Het is hier net een levende kerstkaart!”

„Kijk daar in de verte!” roept Rintje. „Allemaal honden die de berg af skiën!”

De taxi stopt voor het hotel. Een hondje dat voor de deur staat doet het autoportier open en helpt mama met de koffer. Hij brengt ze naar een kamer op de eerste verdieping met uitzicht over de bergen. Ze kiezen elk een eigen mand, pakken de koffer uit en leggen alles in de kast. Daarna gaan ze naar buiten.

„Eerst gaan we sleetjes huren”, zegt mama, „dan kunnen jullie lekker van de berg af roetsjen!”

Als Rintje, Henriette en Tobias ieder een mooie slee hebben uitgezocht klimmen ze tegen een hoge heuvel op. Mama blijft beneden om een foto te maken als ze naar beneden komen.

„Ik durf niet”, zegt Henriette. „Het is veel te hoog.”

„Dan gaan we wel samen op één slee,” zegt Rintje. Tobias en Henriette gaan zitten, Rintje geeft de slee een flinke duw en springt dan achterop.

Eerst gaat de slee langzaam maar dan gaat hij sneller en sneller.

Wordt vervolgd