Mode is geen kunst

Lars Svendsen: Mode. Een filosofisch essay. Vertaald uit het Engels door Ronald Kuil. Ten Have, 190 blz. €22,50

Een van zijn verfrissendste vragen stelt de schrijver van dit boek in een voetnoot, de op één na laatste. Wie zijn die ‘wij’ die zo vaak in dit boek opduiken? De ‘wij’ die in toenemende mate door de mode worden beheerst? Het is een vraag waarmee de Noorse filosoof – die eerder een boek over verveling schreef – even de grens van zijn werkterrein overschrijdt: dáár gaat het hier niet over. Maar de lezer krijgt wel het gevoel dat daar, op het terrein van sociologie en geschiedenis, minstens zo interessante zaken te vinden zullen zijn als die Svendsen behandelt.

Niet dat deze verhandeling over mode geen boeiende inzichten biedt. Mode – en het gaat hier in de eerst plaats over de betekenis van kledingmode – begon een maatschappelijk verschijnsel te worden in de 18de eeuw, hoewel individualistische variaties in kleding al vanaf de Middeleeuwen te zien waren. Tweeënhalve eeuw geleden begonnen denkers als Adam Smith en Immanuel Kant uitspraken te doen over de menselijke neiging om bewonderde voorbeelden na te volgen in steeds veranderende kleedstijlen. Daarmee schiepen zij het ‘basismodel’ dat modetheorieën tot in onze tijd heeft beheerst.

De mode en de kritiek er op zijn altijd hand in hand opgetreden. Svendsen zelf beoefent ook kritiek, acht hoofdstukken lang, en de onderliggende teneur van zijn boek is sceptisch: het is eigenlijk niks, mode. Als zij een taal is (daarover gaat een hoofdstuk) dan wordt met die taal niks interessants gezegd. Als zij kunst is (een ander, overtuigender hoofdstuk) dan is het kunst die vieux jeu is, en die bijvoorbeeld in haar verlangen om te choqueren hopeloos achter de ‘echte’ kunst aanhobbelt.

Maar paradoxaal genoeg is mode kennelijk behalve inhoudelijk oninteressant, tegelijk belangrijk, ook uit filosofisch oogpunt. Al redenerend biedt Svendsen veel lezenswaardigs over de modewereld en over de opvattingen van hele stoeten modecritici en -filosofen. Bijvoorbeeld over natuurlijkheid versus artificialiteit; wat als ‘natuurlijk’ wordt beschouwd, zo concludeert hij, is even veranderlijk als de mode.

Het moderne denken over mode wordt beheerst door het idee van de ‘individualiteit’ die ermee zou worden uitgedrukt. (Niet voor niets was de recente grote kostuumtentoonstelling van het Rijksmuseum getiteld: Fashion DNA.) De droom van het vorm geven aan de eigen identiteit – zelfverwerkelijking, welhaast burgerplicht in de huidige samenleving – leek ooit zoveel vrijheid en geluk te beloven. Maar hij is juist door de mode stukgelopen in leegte, in het vruchteloos najagen van steeds wisselende lifestyles.

Omdat Svendsen zich verre heeft gehouden van de vraag voor wie dit eigenlijk geldt, is die conclusie misschien onnodig somber uitgevallen; maar dat binnen de mode weinig heil te verwachten is, is een conclusie waarmee hij de lezer wel overtuigt.