‘Men durft niemand meer te kwetsen’

De elfde roman van Martin Amis, ‘House of Meetings’, beschrijft de lotgevallen van twee broers in de Goelag. Al heeft de auteur nooit een voet op Russische bodem gezet, uitgesproken meningen over het land heeft hij wel.

Martin Amis Foto Adam Nadel/Polaris August 13, 2006, East Hampton, New York, USA: Martin Amis (born August 25 ,1949 ), British novelist at his house on Long Island. His best known novels include Money (1984) and London Fields (1989) and Time's Arrow (1991). Influenced by Saul Bellow and Vladimir Nabokov, as well as by his father Sir Kingsley Amis, Amis has himself influenced a generation of writers, such as Will Self and Zadie Smith, with his distinctive style.///Martin Amis. Credit: Adam Nadel / Polaris Polaris / Hollandse Hoogte

Martin Amis, al jaren een van de toonaangevende Britse intellectuelen met zijn scherpe pen en tong, oogt in levenden lijve minder rebels dan op veel foto’s, waarop hij meestal is te zien met naar achteren gekamd haar, barse mond en vorsende ogen. Minder jongensachtig ook. Wanneer hij aan het begin van de avond na vergeefs bellen eindelijk de deur van zijn huis in de trendy Londense wijk Bayswater opendoet, staat er een man van gedrongen postuur voor me met een doorgroefd gelaat en rood doorlopen ogen.

Zich verontschuldigend voor zijn defecte deurbel leidt Amis, gekleed in een donkerblauw hemd, een vest en een jasje, zijn bezoek binnen. „Het komt doordat we net een verbouwing achter de rug hebben”, foetert hij met een diepe brommerige stem. „Bij die bouwlieden speelt altijd een klasse-element mee. Ze vinden het leuk jou als ‘bourgeois’ dwars te zitten.” We betreden een vertrek met veel abstracte moderne schilderijen aan de muur. De inrichting is verder aan de sobere kant. De 57-jarige Amis en zijn tweede echtgenote, de schrijfster Isabel Fonseca, zijn pas enkele maanden terug na twee jaar in Uruguay.

Amis loopt door naar een achterkamer, ook weer met veel abstracte schilderijen. Hij steekt de eerste van ettelijke sigaretten op en schenkt twee wijnglazen vol, voor hem zelf naar het lijkt niet het eerste van die dag. Op de tafel ligt een recent exemplaar van de Times Literary Supplement met een prominente foto van een pijp rokende Kingsley Amis (1922-1995), de vader van Martin en in de tweede helft van de vorige eeuw zo mogelijk nog invloedrijker dan zijn zoon.

Toeval? Of wil mijn gastheer het gesprek graag brengen op zijn vader, die hij naast Vladimir Nabokov en Saul Bellow zo diep bewonderde? Ik besluit af te wachten. Pas aan het eind van het gesprek stelt Amis de zaak zelf aan de orde. „Dat is mijn vader”, zegt hij wijzend op de foto. Zijn stem wint plotseling aan warmte. Maar hoewel hij zich lovend uit over de bijdrage van de hand van Clive James gaat hij er verder niet op in.

Al heeft Amis junior inmiddels elf romans op zijn naam staan, hij is nog altijd niet zo gelauwerd als zijn vader. Slechts eenmaal werd een boek van hem, Time’s Arrow uit 1991, genomineerd voor de Bookerprijs. Toch heeft hij zich met zijn superieure beheersing van het Engels een aparte plaats in de Engelse letteren verworven.

In zijn jongste roman House of Meetings, zojuist in Nederlandse vertaling verschenen onder de titel Nachthuis, legt Amis de lat hoog voor zichzelf. Hij beschrijft daarin de lotgevallen van twee broers, die in de nadagen van de heerschappij van Jozef Stalin naar een werkkamp in Siberië worden gestuurd. Alsof de Goelag nog niet genoeg was, weeft Amis er een gecompliceerde driehoeksverhouding met een knap joods meisje in.

De oudste broer, de ik-figuur van het boek, smacht naar deze Zoya maar ze verkiest zijn jongere broer Lev, ook al is die fysiek de zwakste van de twee. Terwijl de oudste broer al in Siberië zit, huwt Lev Zoya. Daarna volgen jaren van scheiding, maar vanaf 1956 staat de kampleiding af en toe ontmoetingen toe tussen gevangenen en hun partners. Dit gebeurt in een huisje, dat door de gevangenen het ‘nachthuis’ wordt gedoopt.

Geen van drieën komt de ervaringen uit die turbulente periode ooit te boven, zo blijkt gaandeweg in de sombere roman van Amis, die is opgezet als de memoires van een oude Russische man. Deze schrijft zijn herinneringen in briefvorm aan zijn Amerikaanse stiefdochter Venus, deels aan de hand van het verslag van een reis door het hedendaagse Siberië langs vroegere Goelag-plaatsen.

Was het niet ongelooflijk ambitieus van u een roman over Rusland te schrijven, verteld door een Rus?

„Ik heb er ook vreselijke moeite mee gehad deze roman te schrijven, meer dan ooit tevoren. Maar het was een interessante worsteling. Het moeilijkste was legitimiteit voor het boek te verwerven. Ik had al eens een roman over de Holocaust geschreven (Time’s Arrow, red.) maar dat was vanuit het perspectief van de dader. Dit is vanuit het standpunt van een slachtoffer. Dat is enorm aanmatigend, iets waarop je als het ware het recht moet verdienen. Je kunt als schrijver natuurlijk niet tien jaar in een strafkamp zitten maar je kunt lijden in je studeerkamer en alle schrijvers weten wat dat is.”

Waarom koos u dit thema?

„Die vraag is niet ter zake. Het is niet dat je een onderwerp van een lijst plukt. Je bent echt afhankelijk van ideeën die in je worden geboren en die voelen als een roman. Dit boek was eigenlijk bedoeld als een kort verhaal. Maar veel van mijn romans doen zich aan mij voor als korte verhalen. Wanneer je er eenmaal mee begint, merk je dat het een roman wordt en dat het veel meer moeite kost dan je had gedacht. Er kwam een moment dat ik er alle vertrouwen in had verloren. Maar daarna voelde ik me plotseling veel beter.”

Wat sprak u aan in de Goelag als onderwerp voor een roman?

„Ik houd van extremen. Gewoonlijk spreken schrijvers over het moment van wording van iets. Nabokov spreekt van een gebons. Updike zegt dat zo’n impuls meteen stuit op duizenden punten van weerstand. Bij mij kwam dat gebons toen ik las over die echtelijke bezoeken. Die hebben echt plaatsgevonden.”

Waarom bent u zo gefascineerd door Rusland. Het is al uw tweede boek erover, zonder dat u er voor zover ik weet ooit bent geweest.

„Ik heb er nooit een voet gezet. Het begon al in mijn tienerjaren. Ik las als puber veel Dostojevski, door Nabokov omschreven als ‘dat oude holle vat en genie’. Ik heb Dostojevski laatst voor de aardigheid eens herlezen en God, wat is hij rauw! Hij is een krankzinnige. Maar het is waar: het is geniaal hoe hij een speciaal temperament tot leven brengt, dat zelf vernietigend is, masochistisch, vol zelfspot en gratuit. Zijn karakters zijn uit op gratuit lijden, alsof het leven nog niet moeilijk genoeg is in Rusland. Als je daarna Tolstoj leest, word je juist weer geconfronteerd met een opwindend verstandige schrijver. Ook heb ik veel non-fictie over Rusland en het kampleven gelezen met een onderzoekende, journalistieke geest. Maar natuurlijk is fictie onnoemelijk veel intiemer dan het werk van amateurhistorici.”

De mannen in Nachthuis, vooral de ik-figuur, lijken slaven van seksuele verlangens, die nooit vervuld raken.

„Je hoeft geen Freudiaan te zijn om te denken dat alles met seks heeft te maken. Als je iemand vernedert, zit er diepe wijsheid in de tekst van de tatoeages die de urka’s (een criminele groep in de kampen, red.) dragen: ‘Je mag blijven leven maar je zal niet meer liefhebben’. Er zit een afschuwelijke cynische wijsheid in. Dat is iets waar mijn oren nog dagen later van tolden, toen ik het had gelezen. Je vermogen tot liefde is een belangrijke maatstaf voor de omvang van je ziel. Het is een belangrijk deel van je, je beste deel. Natuurlijk is het dus ook belangrijk in het boek. Lev zegt op zeker moment: ‘Ze namen de liefde van me af omdat ik er zoveel waarde aan hechtte’.”

Zowel Lev als de verteller straalt een geweldige hopeloosheid uit.

„De mensen die memoires over hun kampervaringen hebben achtergelaten, vaak intellectuelen zoals Solzjenitsyn, hadden een ongelooflijke levenskracht en integriteit. Mijn opzet was juist de memoires te schrijven van iemand die niet die enorme levenskracht had. Het kampleven doodde hun vermogen tot liefde.”

Het noodlot lijkt eveneens een voorname rol in uw boek te spelen. De hoofdpersonen hebben heel weinig greep op hun eigen leven.

„Het noodlot is een mystiek idee, hoewel we allemaal weten dat het bestaat. Het vette noodlot, zoals Nabokov het noemde. Het noodlot is vaak absurd. Maar het boek gaat er meer over hoe extreme regimes individuen kapot draaien. Wanneer je mensen hun jeugd en waardigheid ontneemt via misbruik van de staatsmacht, misschien wel het ergste voorbeeld uit de wereldgeschiedenis, is dat niet te bevatten. Als mensen zeggen dat Guantánamo een Amerikaanse Goelag is, dan weten ze niet waarover ze het hebben. De schaal van de Russische goelag was zo ontzettend veel groter.”

Krijgen de Russen in zekere zin niet wat ze verdienen? Ze zijn vaak zo passief.

„Ze zijn stoïcijns. Dat is hun traditie. Dat wordt er in geslagen bij hen, de waardigheid van het lijden. Europeanen beschouwen hen vaak als Aziaten. Ze zijn ook barbaars in hun goede kwaliteiten, in hun loyaliteit en andere zaken. In Uruguay ontmoette ik een zekere Igor, een succesvolle Russische zakenman. Ook hij zei: we weten niet of we Europeanen of Aziaten zijn.”

Is het leven werkelijk zo intens somber als u in uw boek schetst?

„Er is alle reden om somber te zijn, denk ik. Voor mij is overigens geen enkel goed boek ooit deprimerend, hoe somber ook. Anders zouden mensen massaal zelfmoord plegen na King Lear. Je komt uit King Lear toch ook zonder de neiging zelfmoord te plegen. Er is dan eerder sprake van een catharsis. Als het goed is, is het afschuwelijke onderwerp onder controle gebleven.”

Totalitaire regimes houden u, getuige uw boeken, erg bezig. Waarom?

„Totalitaire regimes lenen zich per definitie voor satire. Die floreert daarbij. Onlangs begon ik een novelle over een terrorist in Waziristan, een satire over islamisme (radicale islam, red.). Ik vond het zelf geestig en het schreef makkelijk. Maar toch gaf ik het op. Niet uit vrees voor vergelding, maar je kunt dat op het moment niet doen. Ik dacht: hoe geestig is dit nog, wanneer er een smerige bom afgaat? Satire is eigenlijk verdwenen uit de serieuze literatuur. Mensen durven niemand meer te kwetsen en dat moet satire juist wel doen, daar is het voor. Dus moet dit soort werk wachten tot dit allemaal voorbij is, maar tegen die tijd ben ik al dood.”

Ik begreep uit een recent interview met ‘The Guardian’ dat u het gevoel heeft dat u het contact met de Britse samenleving kwijt bent?

„Niet helemaal kwijt, maar ik voel me onvoldoende ‘in touch’. Ik heb de herschikking in de Britse samenleving niet kunnen bijbenen. Dat besef ik nu ik hier vier maanden in Londen terug ben. Er heeft zich in angstaanjagend tempo een sociale verandering voorgedaan. Ik voel me hier nu minder op mijn gemak dingen uit te spreken die mogelijk van delicate aard zijn dan in Amerika. Daar is de grote verschuiving naar de zogenoemde politieke correctheid over zijn hoogtepunt heen. Hier niet. Alleen als het om vrienden gaat die ik goed ken, spreek ik vrijuit. Het is zo ingewikkeld geworden.”

Doelt u vooral op de verhouding met moslims?

„Ja, de mensen hier proberen de problemen op dat vlak te sussen, terwijl ze intussen steeds sterker anti-Israël en anti-Amerika worden. Ik geloof dat de anti-Israëlgevoelens worden gevoed door antisemitisme, een antisemitisme met een zuiver geweten. Palestina is altijd een zorg geweest voor links in Groot-Brittannië. Dat gaat ver terug.

,,Maar de huidige onzekerheid heeft ook te maken met een verlies aan macht. De Britten hebben dat niet goed verwerkt, al deden ze lange tijd alsof het hun niet veel kon schelen. Dat zie je vaker. Ook de islamisten zijn na eeuwen nog steeds woedend over het verlies aan macht van hun oude rijken.”

Overdrijft u niet?

„De aanslagen van 7 juli maakten duidelijk dat het om een heel serieus probleem gaat. Je ziet dat de gemeenschap onder invloed van links bang is hoe de moslims aanstoot kunnen nemen aan de reactie op volgende aanslagen. Er waren demonstranten uit de Britse middenklasse die vorige zomer rondliepen met spandoeken die zeiden ‘We zijn nu allemaal Hezbollah’. Dat soort rare reacties.”

Heeft de Britse samenleving meer samenhang nodig?

„Wanneer je hier in de buurt rondloopt denk je, wat een prachtige multiculturele samenleving. Het heeft iets heel prettigs om een paar woorden te wisselen met je Pakistaanse krantenverkoper. Eigenlijk ben ik zelf ook gek op diversiteit. Maar je moet twee dingen van elkaar onderscheiden. Je hebt multiculturalisme als realiteit en als ideologie. Ideologieën zijn altijd verkeerd. Ze maken je onverschillig voor de realiteit en ze zijn vaak ook gewelddadig. Want het gaat om een illusie en wanneer die illusie op weerstand stuit kun je die niet alleen met je verstand verdedigen. Je moet dan ook je vuist ballen. Multiculturalisme en politieke correctheid herbergen elk een element van geweld in zich. De vijand is voor hen degene zonder ideologie.”

En vraagt dat niet om meer samenhang?

„Een Pakistaan in Boston kan zeggen: ik ben een Amerikaan en daarmee zegt hij iets vanzelfsprekends. Iets soortgelijks kan een Pakistaan in Bradford, Berlijn of Brugge niet zeggen. We moeten ons transformeren tot een samenleving voor immigranten, zoals Amerika heeft gedaan. Het kan lang duren voor we zover zijn maar het is het beste.”

Abrupt beëindigt Amis het gesprek. Hij reikt me mijn gevoerde winterjack aan, weegt het even op zijn arm en begint breed te glimlachen. „Net zo’n jas heb ik geërfd van Saul Bellow.’’, zegt hij. „Die had hij nodig tegen de winterkou in Maine. Zijn weduwe heeft hem mij laatst geschonken. Het hele bagagecompartiment in het vliegtuig werd er haast mee gevuld. Maar het is een prima jas.”

’Nachthuis’, uitgeverij Contact (€22,90).