Leve de zelfdestructie

Rowan Pelling, Amelia Hodsdon en James Doyle (red.): The Decadent Handbook. Dedalus, 372 blz. €26,–

In deze reader van teksten over decadentie staat veel over seks en dood. In de sfeer van de georganiseerde decadentie is dat trouwens bijna hetzelfde. Neem de verhandeling van Erich Kuersten over ‘The lost art of the bender’, een minutieus beschreven drinkgelag van drie dagen voor één persoon. Ook de meerdaagse groepsorgie van drank, seks en wat dies meer zij, komt aan de orde, in Salena Goddens ‘The last big drinky’.

Decadent gedrag, blijkt uit veel stukken, kan worden uitgelegd als een vorm van opstand tegen sociale conventie, als een individuele gril van tijdelijke of permanente aard, die niet zelden langs de afgrond van de zelfdestructie scheert.

Stukken van de grondleggers van de decadente beweging, zoals Baudelaire, ontbreken niet in de bundel. Maar wat node gemist wordt, is een verhandeling over hoe het decadente erfgoed, met name sinds ‘sex, drugs and rock’n’roll’, ook in (klein)burgerlijke kringen een geaccepteerd onderdeel van het mentale landschap is geworden.

Sebastian Horsley, ooit bij de Observer als columnist ontslagen omdat hij niet ophield in zijn rubriek de geneugten van anaal geslachtsverkeer te bezingen, slaagt daar volledig in: duizend prostituees genaaid, lichaam verkocht aan hoogste bieder, klaargekomen boven eigen zuster, zichzelf onder stroom gezet en laten kruisigen met spijkers enz. Niet ten onrechte spreekt Horsley ons, de normale stervelingen die de decadentie hoogstens in deeltijd bedrijven, minachtend toe: een halfhartig zooitje dat de stap naar het echte leven niet durft te zetten.

Gelukkig bevat de bundel ook meer haalbare suggesties, waarbij de decadent de agressie meer tegen zijn omgeving dan tegen zichzelf richt. Uit het geestigste opstel, ‘The Decadent Mother’ van Rowan Pelling, kun je opsteken hoe je als vrouw, uitgaande van een principiële afkeer van kinderen, je eigen kind een leven lang kunt beledigen en laten voelen dat het er wat jou betreft beter niet geweest was.

Lezing van dit boek zadelt de lezer op met een vreemd minderwaardigheidscomplex: niet alleen blijven mijn eigen decadente fantasieën naar alle waarschijnlijkheid fantasieën, al was het maar uit geldgebrek, maar ook komen ze in de kern toch altijd weer neer op vrolijk copuleren.

Geen van beide voldoet, als recept voor decadentie: fantasie telt niet, en vrolijkheid evenmin, want er moet daadwerkelijk met de dood worden gekoketteerd.