Lesbisch én christelijk

Veel joodse oorlogswezen kregen een christelijke opvoeding. Volgens sommigen was verzetsvrouw Gezina van der Molen daar debet aan. Dat valt nogal mee, aldus haar biograaf. Recht door zee zijn over haar homoseksualiteit viel hem niet mee.

Gert van Klinken: Strijdbaar en omstreden. Een biografie van de calvinistische verzetsvrouw Gezina van der Molen (1892-1978). 408 blz. €29,50

‘Honderd jaar geleden geboren en nog steeds omstreden’ luidde in 1992 het oordeel over Gezina van der Molen in het VU-blad Ad Valvas bij de 100ste geboortedag van deze verzetsheldin uit christelijk gereformeerde kring. Zij was lange tijd vooral bekend wegens haar betrokkenheid bij de verzetskranten Vrij Nederland en Trouw, en om de rol die de Trouw-groep had gespeeld bij het onderbrengen van joodse kinderen.

De herdenking in 1992 ging uit van de hoogleraar vrouwenstudies Jeanne de Bruijn, die Van der Molen vooral in de herinnering wilde brengen als eerste vrouwelijke promovendus en eerste vrouwelijke hoogleraar aan de rechtenfaculteit van de VU. Doel was ook de instelling van een leerstoel vrouwenstudies aan die faculteit.

Het moment was kritiek. Twee jaar eerder was Van der Molens reputatie van onverzettelijke oorlogsheldin behoorlijk gebutst, zo niet voorgoed geschaad door onthullende publicaties van Elma Verhey over OPK, de Rijkscommissie voor Oorlogspleegkinderen. Op grond van een wet die door Van der Molen zelf in de oorlog was voorbereid, had de commissie na de oorlog onder haar voorzitterschap in grote rechtlijnigheid beslist over het lot van joodse oorlogswezen. Omdat zij vond dat de opvang van joodse onderduikkinderen in eerste instantie een verantwoordelijkheid was van de Nederlandse overheid, en dat niet zozeer afstamming maar cultuur bepaalde of een kind ‘joods’ moest worden opgevoed, kreeg de joodse gemeenschap maar een minimale rol toebedeeld in dit proces. Veel joodse weeskinderen kregen een christelijke opvoeding, soms zonder dat zij bekend waren met hun wortels. Verhey mocht in Ad Valvas nog eens haar onbarmhartige visie op Van der Molen uiteenzetten. Haar gedachtengoed was ‘een gevaarlijk mengsel van pseudo- progressieve ideeën, antisemitisme en een onder alle omstandigheden superieur geacht christendom’.

Vriendschap

Wat in de herdenking eveneens voor het eerst op tafel kwam, was Van der Molens bijna vijftig jaar durende vriendschap met de katholieke Mies Nolte, met wie zij bijna net zolang samenwoonde. Trouw schreef dat ‘de “huisgenoten” een intieme relatie hadden die tegenwoordig gewoon lesbisch genoemd zou worden.’ Ad Valvas rekende het Van der Molen zelfs aan dat zij er, ‘alhoewel zelf ho-moseksueel’, nooit openlijk voor uit was gekomen.

De dag zelf werd geen succes. Andreas Burnier weigerde als hooggeleerde lesbo en/of joods onderduikkind te komen spreken. De rechtenfaculteit liet het vrijwel geheel afweten. En een Gezina van der Molen-leerstoel kwam er niet .

De mislukte herdenking is een schoolvoorbeeld van de manier waarop herinneringen niet alleen naar het verleden, maar minstens zo sterk naar het heden wijzen. Gereformeerden, vrouwen, joden, homoseksuelen hebben allen verschillende belangen bij de historische waarheid, die soms met een beroep op het morele gelijk van de slachtoffers of de helden wordt afgedwongen. De vraag is vervolgens hoe groot de afstand is tussen partijdige oordeelsvorming, collectieve herinnering (in dag- en weekblad) en de professionele historische oordeelsvorming.

Voor dit laatste deel van het project is nu een biografie van Gezina van der Molen door Gert van Klinken beschikbaar, en de vraag luidt dan: hoe verhoudt de biograaf zich tot deze strijd der historische meningen. Kan en wil hij zich boven het gekrakeel verheffen of kiest hij partij?

Gezina van der Molen was ongetwijfeld tevreden geweest met een zo toegewijde biograaf. Van Klinken baseerde zich op een keur aan archieven en literatuur, en ook op vele interviews, met neven en nichten, collega’s, tijdgenoten en nakomelingen, vriendinnen en gesprekspartners. Het gewogen eindoordeel is niet ver verwijderd van dat van de scherpste critici, al is de angel eruit gehaald. Niet Verhey maar de joodse historicus Fishman krijgt inzake Van der Molens bemoeienis met OPK het laatste woord: verering van Van der Molen is misplaatst, maar verguizing evenzeer. De (meer dan) calvinistische rechtlijnigheid die haar in de oorlog te stade was gekomen bij haar ondubbelzinnige verzetshouding, was na de oorlog de oorzaak van het falen van OPK.

Onwetendheid

Dit lijkt mooi, maar in het boek en de conclusie is eveneens een belangrijke rol weggelegd voor haar ‘anders zijn’, en hier gaat het wat mij betreft mis. Van Klinkens redenering komt hierop neer: de onwetendheid, later de ontkenning van haar ‘seksuele geaardheid’ zette Van der Molen zodanig op spanning dat zij dikwijls overreageerde in haar poging om aansluiting te vinden bij de gereformeerde beginselen. Dat komt vóór de oorlog tot uiting in haar fanatieke veroordeling van de arbeid van gehuwde vrouwen, na de oorlog in haar omgang met de oorlogspleegkinderen. In de oorlog valt onder de druk der omstandigheden die spanning weg, en beleeft zij haar finest hour.

Zodoende reduceert Van der Molens biograaf haar keuze om met Mies Nolte haar leven te delen tot een zuiver particuliere (psychologische) aangelegenheid, en niet als een keuze die integraal samenhangt met een (politieke) visie op sekseverhoudingen en feminisme. Zo schrijft Van Klinken over de ruzies die zij heeft met haar vader wanneer hij haar een gymnasiumopleiding verbiedt, en ook over haar ontzetting over de Eerste Wereldoorlog dat er sprake is van ‘projectie’. In zijn ogen blijft het een afwijking, ‘de problematiek van Van der Molen’, die zich uitte in een ‘mannelijke’, soms zelfs ‘harde’ opstelling en ‘onderdrukte emoties’. Herhaalde malen benadrukt hij dat zij er niet in slaagde om van de delen van haar leven een geheel te maken, wat een vriendelijke manier is om te zeggen dat zij behoorlijk verknipt was.

Van Klinken heeft helaas geen oog voor het feit dat etiketten als ‘mannelijk’ en ‘vrouwelijk’ een belangrijke factor zijn in de (negatieve) betekenisgeving van homoseksualiteit en feminisme. Hij herhaalt zelfs vaak de bronnen die hij bestudeert. Zo kapittelt hij de christelijke schrijfster Amanda van Hoogstraten-Schoch om haar ‘ongevoelige uitspraak’ in het Christelijk Jaarboek ‘zonder enige consideratie met haar mederedactrice’, dat ‘viriele’ vrouwen moeten oppassen te vervallen tot hysterie en psychopathisch gedrag. (Het woord ‘viriel’ is door Van Klinken toegevoegd).

Vooral in de achterhaalde psychologisering van Van der Molens overigens als heel gelukkig aangemerkte verhouding met Nolte, en de bagatellisering van het seksepolitieke element in die relatie en in haar gehele levenshouding, laat het boek zich uiteindelijk kennen als een heel ‘gereformeerde’ biografie. Ik wil niet zeggen dat er geen spanningen in haar leven zijn geweest, maar die wijt ik dan eerder aan haar unieke poging om feminisme en gereformeerde geloofsbeleving en politiek, zeg maar feminisme en religieus en politiek fundamentalisme, met elkaar te verzoenen. Dat die interpretatie niet aan bod komt betekent niet dat het een slechte biografie is geworden, maar wel een die onmiddellijk tegenspraak oproept.