‘Je was welkom in Rome, mits je je aanpaste’

De Grieken hadden weinig zin om vreemdelingen te laten integreren. De Romeinen waren veel liberaler. ‘Daar leerde men elkaar kennen in het circus en de badhuizen.’

Fik Meijer Foto Jørgen Krielen Jorgen Krielen/Oegstgeest, 16-02-2007/ Prof. Dr. Fik J.A.M. Meijer Krielen, Jorgen

De Romeinse politicus Marcus Porcius Cato (234-149 voor Christus) dankt zijn plek in de geschiedenisboeken voornamelijk aan het venijnige slot van zijn redevoeringen. Dat luidde steevast ‘Ceterum censeo Carthaginem esse delendam’ (Overigens ben ik van mening dat Carthago verwoest moet worden). Cato reserveerde zijn vreemdelingenhaat echter niet voor de bewoners van deze Noord-Afrikaanse staat. Dit zei hij bijvoorbeeld over de Grieken: ‘Ze hebben elkaar gezworen alle barbaren met hun geneeskunst uit te roeien en ze laten zich er zelfs voor betalen om vertrouwen te wekken en ons gemakkelijk te kunnen verdelgen.’

In Vreemd Volk. Integratie en discriminatie in de Griekse en Romeinse wereld, het nieuwe boek van de productieve oud-historicus Fik Meijer (1942), hoogleraar aan de Universiteit van Amsterdam, ritselt het van dit soort sentimenten ten opzichte van ‘de anderen’. Cato was bij lange na niet de enige xenofoob van de antieke wereld.

Meijer schreef eerder boeken over Romeinse keizers, wagenrennen en gladiatoren. Dit keer koos hij voor een minder traditioneel ‘klassiek’ onderwerp. „Ik hoor wat er in onze maatschappij gezegd wordt over autochtonen, allochtonen en integratie. Die woorden vinden hun etymologische oorsprong in de talen van de Grieken en Romeinen. Ik hoop mensen te laten zien dat de vraagstukken waarmee wij nu in Nederland worstelen niet uniek zijn.”

Aanvankelijk was Meijer van plan hoofdstukken te schrijven waarbij op de linkerpagina de situatie in de Oudheid werd geschetst en op de rechterpagina de toestand in Nederland anno 2007. „Maar dat werd te geforceerd. Ik besloot dat het beter was een chronologisch verhaal over de Griekse en Romeinse wereld te vertellen waaruit mensen hun eigen conclusies kunnen trekken.”

Dat verhaal begint omstreeks 800 voor Christus als de Grieken na een moeizame periode van enkele eeuwen een sterke eigen identiteit gaan ontwikkelen. Dat doen ze door neer te kijken op iedereen die niet Grieks is. Voor alle mensen die geen Grieks spreken en zich bedienen van barbar-geluiden bedenken de Grieken de term barbaroi, barbaren. Zelfs onderling nemen de diverse stadsstaten elkaar de maat als het gaat om ‘Grieksheid’.

Volgens Meijer zuchtten de Grieken aanvankelijk onder een Calimerocomplex, vooral ten opzichte van de Perzen, het volk dat hen vanuit Azië regelmatig trachtte te onderwerpen. „Dat veranderde toen ze de Perzen in de vijfde eeuw voor Christus versloegen bij Marathon en Salamis. Daarna ontwikkelden ze een zelfbeeld waarin ze de dappere, standvastige, sobere Griek afzetten tegen de verwijfde, slappe en laffe Oriëntaal. Dat imago zouden ze in de eeuwen erna blijven koesteren.”

In de stadstaat Athene, alom bejubeld als de geboorteplaats van de democratie, betrachten de burgers bijna net zo veel dedain ten opzichte van buitenstaanders als de beruchte Spartanen. Meijer: „De metoiken, de vreemdelingen die Athene waren binnengelaten om er te werken of te handelen, maakten geen kans op burgerrechten. Ze mochten belasting betalen, dat was het wel.”

Zelfs Grieken die zich elders in het mediterrane gebied als kolonist vestigden, weigerden te integreren met de volken die ze ontmoetten. Meijer denkt dat dit komt doordat de Grieken over het algemeen kleine kolonies stichtten. „Ze waren altijd in de minderheid ten opzichte van hun omgeving. Daardoor hielden ze zich nog sterker vast aan hun eigen identiteit.”

Nadat de Macedoniërs onder Philippus en zijn zoon Alexander – géén Grieken volgens de Grieken – Griekenland hadden veroverd, leek er een andere wind te gaan waaien. Alexander versloeg in 331 voor Christus bij Gaugamela de Perzische koning Darius en werd daarmee de heerser over een immens rijk. Hij dwong zijn generaals om met inheemse prinsessen te trouwen en nam een aantal Perzische gebruiken over. Meijer betwijfelt echter of Alexander ’s werelds eerste multiculturalist was. „Hij was vooral een pragmaticus. Met het handjevol soldaten dat hij had kon hij nooit overleven in zo’n groot rijk als hij zich niet aanpaste.” Zijn generaals dumpten na de dood van hun koning in ieder geval onmiddellijk hun oosterse bruiden. Meijer: „Ze waren te veel in hun eigen wereld gevangen om echt te kunnen integreren.”

Terwijl de erfgenamen van de Macedonische koning om de resten van zijn rijk vochten, ontstond in Italië een staat die vanaf het begin anders zou omgaan met vreemdelingen. Het Romeinse leger vocht hard en was genadeloos voor de volken dat het overwon, maar na een paar generaties maakten voormalige vijanden al kans op het Romeins burgerschap.

Meijer denkt dat de inwoners van Rome hun relatief liberale blik ten opzichte van ‘buitenlanders’ hebben overgehouden aan de periode in de 7de en 6de eeuw voor Christus toen ze door de Etrusken werden overheerst. „Dat volk heeft de Romeinen het nodige geleerd, bijvoorbeeld op het gebied van religie. Dat bracht de Romeinen een zeker respect voor andere volken bij.”

In de eeuwen die volgden was iedereen die zich wilde aanpassen welkom in het Romeinse rijk, hoewel lieden als Cato zich heftig bleven verzetten tegen de instroom van al die buitenlanders. Maar de immigranten bleven toestromen, met honderdduizenden, op zoek naar het geluk in de hoofdstad van de wereld.

In het jaar 48 hield keizer Claudius een toespraak waarin hij uitlegde waarom vreemdelingenangst contraproductief was. ‘Wat is Sparta en Athene, militaire grootmachten van weleer, fataal geworden? Er is maar één antwoord: ze hielden hun tegenstanders, nadat ze hen verslagen hadden, op afstand en behandelden hen als ongewenste vreemdelingen.’

Uiteindelijk zou het Romeinse rijk toch bezwijken, onder druk van buitenaf én binnenuit. De barbaren die binnenvielen waren niet geïnteresseerd in het burgerschap, maar slechts in buit. Bovendien leed het rijk aan economische stagnatie. Maar wat ook meespeelde was het feit dat er binnen het rijk ‘een volk’ was opgestaan dat weigerde zich aan te passen.

De christenen geloofden dat hun god de enige ware was en weigerden hem een plaatsje te geven in het pantheon waarin ook andere vreemde goden als Isis een plek hadden gevonden. Dat tastte de onderlinge cohesie in het rijk aan. Meijer: „De Romeinen moesten wel hard optreden tegen deze in hun ogen gevaarlijke sekte, maar ze legden het uiteindelijk af tegen de volharding van de christenen.”

Hoewel hij de vergelijking met het heden uit zijn boek heeft gehouden, is Meijer best bereid enkele conclusies te verbinden aan de geschiedenis die hij optekent in Vreemd volk. „De Grieken probeerden met man en macht vreemdelingen buiten de deur te houden. Hun rijken verloren na enkele eeuwen hun macht. De Romeinen waren minder huiverig voor immigranten. Zij hielden het duizend jaar vol.”

Maar gingen de Romeinen uiteindelijk niet ten onder mede door de aanwezigheid van de ‘vreemde’ christenen binnen de grenzen? Meijer: „Zeker. Daarom hoop ik dat we erin slagen in Nederland immigranten te laten integreren op het niveau van voetbalclubs en buurthuizen. In Rome leerde men elkaar ook kennen in het circus of in de publieke baden.

Als de mensen die hier nieuw zijn niet op dit niveau kunnen integreren en hun identiteit gaan zoeken in een religie die aanspraak maakt de enige waarheid te verkondigen, dan heeft de maatschappij een probleem. Daarom moeten we actie ondernemen in de wijken en niet het zoveelste debat van geleerde heren opzetten. De elite heeft altijd wat te zeuren over de teloorgang van de cultuur. Dat is in 2.500 jaar niet veranderd.”

Fik Meijer: ‘Vreemd Volk. Integratie en discriminatie in de Griekse en Romeinse wereld’, Athenaeum – Polak & Van Gennep, 331 blz. € 19,95