Ironie, domheid en wijsheid

Wat een zeldzaam chagrijnig, gefrustreerd en vooral dom stukje schreef Roel Bentz van den Berg over ironie (Cultureel Supplement, 16 febr.). Zijn zin `Door de meest ernstige zaken weg te lachen ben je doof en blind voor de werkelijkheid` is weliswaar juist, maar heeft met ironie volstrekt niets te maken. Blijkbaar heeft hij nog nooit gehoord van intellektuelle Anschauung (J.G. Fichte) en tranzendentale Buffonerie (F. Schlegel), kernbegrippen uit de romantische ironie. Het eerste begrip houdt in dat elk mens in staat zou moeten zijn zichzelf te zien als subject èn als object, bij voorkeur zelfs tegelijkertijd; ik kan u verzekeren dat domme mensen daar moeite mee hebben. De tweede notie behelst het vermogen boven jezelf uit te stijgen - juist door het relativeren of zelfs belachelijk maken van je eigen belang en kwaliteiten; ook dat heb ik nog weinig domoren zien doen.

Ik schrijf dit terwijl mijn vrouw al ruim vier maanden uitzichtloos in subcomateuze toestand verkeert, en ook deze situatie ironiseer ik regelmatig. Daarmee lach ik deze letterlijk meest ernstige zaak niet weg, maar beschouw ik mezelf als object, waardoor ik volstrekt níet `doof en blind voor de werkelijkheid` ben, maar haar in een ander licht kan zien, en beter in staat ben - volgens Justus Lipsius` motto `standvastigheid bij algemene rampspoed` - me staande te houden.