Irak, Iran en Blair

Tony Blair en Irak – het is een ongelukkige combinatie. Zou de oorlog in Irak er niet zijn geweest, dan gold de Britse premier als een van de succesvolste naoorlogse staatslieden van zijn land. Nu is dat twijfelachtig. De aanwezigheid van de Britten in Irak is geen succes geworden. Hoezeer Blair ook anders wilde doen geloven, toen hij woensdag in het Lagerhuis een gedeeltelijke troepenterugtrekking aankondigde. Groot-Brittannië is in Irak steeds Amerika’s trouwste bondgenoot geweest. Beide landen faalden tot nu toe in hun belangrijkste missie: het bewerkstelligen van algemene stabiliteit en veiligheid in het land. Voor Tony Blair, die na tien jaar bijna is uitgeregeerd en een keer ten goede in Irak onder zijn leiding waarschijnlijk niet meer zal meemaken, is dat zuur. Hij dreigt mede-erflater te worden van een mislukte oorlog.

Dat de 1.600 terugkerende Britse militairen – van de in totaal 7.100 man – niet worden overgeplaatst naar het roerige Bagdad, is veelbetekenend. Het is een gemiste kans voor de Amerikanen. President Bush stuurt juist extra mankracht naar Bagdad om de chaos daar onder controle te krijgen. De Britten waren welkom geweest. Maar Blair heeft net als Bush te maken met een rebellerend thuisfront. Burger en politiek zijn de oorlog zat. De peilingen zijn genadeloos. Om zijn gezicht te redden, noemt Blair de troepenvermindering het gevolg van succesvol optreden te velde. De militairen hebben, naar vermogen, over het algemeen goed werk verricht. Maar afdoende is het nooit geweest. Het was de politieke besluitvorming over Irak die niet deugde. Blair probeert van dit hopeloze dossier te redden wat er te redden valt, om het zijn opvolger Brown gemakkelijker te maken. Maar de geschiedenis zal er niet milder over oordelen.

Hij kan op de valreep zijn staatsmanschap nog een positieve draai geven. Met een minstens zo belangrijke kwestie: Iran. Woensdag verliep de tijdslimiet die de Veiligheidsraad van de Verenigde Naties aan Iran had gesteld ter bevriezing van ’s lands nucleaire programma. Eind december 2006 werd Teheran hiertoe opgeroepen in resolutie 1737, op straffe van mogelijke economische sancties. Iran negeert die resolutie en gaat door met de ontwikkeling van atoomtechnologie. Intussen worden in Washington als represaille „alle opties” opengehouden, inclusief die van een oorlog of een aanval op Iraanse doelen.

Blair zou er goed aan doen een consistente lijn te volgen inzake Iran. Dat wil zeggen: zo lang mogelijk afstand nemen van de optie een oorlog met dit land te beginnen. De schade die is aangericht door de toestand in Irak, in slachtoffers, geld én verlies aan prestige van het Westen, is al groot genoeg. Iran zal door andere middelen dan militaire tot inkeer moeten worden gebracht. Hoewel ook Blairs invloed op Bush gering is, is een Britse afwijzing van een militaire ingreep in Iran een belangrijk signaal; liefst ingebed in een gezamenlijk Europees standpunt hierover. De Nederlandse regering kan een bijdrage leveren door te verklaren dat zij een preventieve oorlog tegen Iran niet zal steunen.