‘Hier heerst mijn evenwicht’

Wim van Krimpen, directeur van het Haags Gemeentemuseum, kan naar eigen zeggen slecht tegen kritiek. Portret van de meest commercieel ingestelde tentoonstellingsmaker van Nederland. „Ik ga echt niet aan de gevel spijkeren dat het hier vol hangt met facsimiles.”

Wim van Krimpen: ‘Ja, zeg… Ik kan niet functioneren als ambtenaar’ foto Roel Rozenburg Den Haag:24.1.7 Directeur Haags Gemeentemuseum van Krimpen. © foto Roel Rozenburg Rozenburg, Roel

Wanneer was hij niet in het nieuws? Wim van Krimpen wordt in maart 66 jaar, maar aan ophouden moet hij nog lang niet denken. Nooit. Wat hij vroeger ook deed – of hij nu tekeningen van Günther Förg of Rob van Koningsbruggen verkocht in zijn galerie aan de Amsterdamse Prinsengracht, meubelbeurzen organiseerde in de Prins Bernard Hoeve in Zuidlaren, de Kunsthal in Rotterdam uit de grond stampte, of zoals nu, directeur is van het chique Haags Gemeentemuseum met aanpalende musea – waar hij komt ontstaat rumoer. Een straatvechter is hij, een doordouwer, de meest commercieel ingestelde tentoonstellingsmaker van Nederland. Hij is iemand van wie collega-directeuren zeggen: ‘Nee, onder Wim zou ik nooit willen werken.’ Vanwege zijn ongelikte en autoritaire gedrag. Want wat Wim wil, gebeurt.

Maar men vindt hem ook innemend, ‘een charmante schurk’, een ritselaar, een enthousiaste koopman, maakt niet uit wát hij verkoopt. Anti-intellectualistisch, dynamisch, gejaagd door de wind. Verantwoordelijk voor stijgende publiekscijfers, sensationele tentoonstellingsprogramma’s.

Vorig jaar schudde deze zoon van een Groningse dominee de Nederlandse kunstwereld op met een sensationele veilingverkoop van een schilderij van de Russische avant-gardist Ilja Masjkov uit het bezit van het Haags Gemeentemuseum. Hij spuugde openbaar zijn gal over de ‘verkliekte’ Mondriaan Stichting en nadat hij Roel Arkesteijn, een kritische conservator bij hem ‘in huis’, had ontslagen. Ook organiseerde hij tentoonstellingen, zo’n vijftig in totaal, opgezet volgens een inmiddels bekend recept: twee à drie blockbusters per jaar, en de rest kleine tentoonstellingen. Nooit mag de indruk ontstaan dat zalen in het museum ‘stil staan’. Er moet altijd beweging, verplaatsing zijn, doeken die worden verhangen, vitrines die worden ingericht. Zodat de wereld weet: achter de gevels van dat sierlijke Berlage-museumgebouw is altijd wat gaande.

„Alles is goed gegaan”, roept hij zelfverzekerd aan het begin van het gesprek. Wim van Krimpen zit aan het hoofd van de directeurstafel in de directeurskamer van het Gemeentemuseum in Den Haag. De zon kriebelt op zijn achterhoofd. „Ik zit hier nu zes jaar. Toen ik hier kwam was Den Haag hét voorbeeld van een klassiek, een beetje een verkokerd museum onder leiding van een voortreffelijk man – Hans Locher – maar wel een professor. Ik wilde dit museum op dezelfde manier regeren als een kunsthal. Ik zei tegen mijn conservatoren: ‘Jongens, het leukste op de wereld is succes.’ Nou daar hadden ze hier nog nóóit van gehoord.”

Nu wel?

„De bezoekersaantallen zijn gestegen, mijn begrotingen zijn altijd sluitend, ik bouw reserves op, het Haags Gemeentemuseum is het derde museum geworden van Nederland, na het Rijksmuseum en het Van Gogh. Sponsors zeggen grote bedragen toe. Ik heb net een grote schenking van de Bankgiroloterij gekregen: vijf ton aankoopbudget jaarlijks erbij de komende vijf jaar.

„Ik word altijd afgeschilderd als een populist – en ik aanvaard dat met liefde. Ik begrijp niet wat je anders wil of moet met een museum dan ermee naar de mensen toegaan. Bij mij staan de klanten op de eerste plaats. Eerst de mensen, dan de kunst.”

Volgens de jaarcijfers liep het gerestaureerde museum helemaal niet slecht. In de tweeëneenhalve maand dat het museum in 1998 open was kwamen er al zo’n honderddertigduizend bezoekers. U trok in heel 2005 met alle musea bij elkaar ruim tweehonderdduizend betalende bezoekers. Toch zegt u dat u bij uw aantreden in 2000 een ingeslapen boel aantrof?

„Nou, dat mag ik eigenlijk niet zeggen, maar het was wel een beetje een stil museum. Kijk, ik sta niet bekend als iemand die ieder woord goed overweegt voordat hij het uitspreekt. Daarom ben ik totaal ongeschikt voor de politiek.”

U hebt in 1991 een bv opgericht en verhuurt uzelf als zodanig ook aan het Gemeentemuseum en het Escher-museum. Waarom?

„Ja, zeg… Ik kan niet functioneren als ambtenaar. Als ik voor iedere stap die ik wil zetten eerst naar het stadhuis moet – nee, dat wordt niks. Ik was nooit naar het Gemeentemuseum gekomen als het niet verzelfstandigd was en geen stichting was. Ik heb altijd mijn eigen dingen opgezet, ben altijd onafhankelijk gebleven. Toen ik interim-directeur werd van de Kunsthal in 1988 heb ik een overeenkomst gemaakt. Ik heb mijn galerie ook niet opgegeven, de meubelbeurzen niet opgegeven.”

Uw galerie staat nog steeds als een van de activiteiten van uw bv gemeld.

„Ja, dat vindt u misschien een merkwaardige geschiedenis, maar aan de andere kant: bij de Kunsthal verzamelde ik niet en kocht niet aan. Dus ik vond dat dat best kon. Na mijn definitieve benoeming heb ik natuurlijk alle andere activiteiten gestaakt.”

Wat is het voordeel van zo’n bv-constructie? Hoeft u bijvoorbeeld de inkomsten van uw nevenactiviteiten niet voor de helft af te dragen, zoals een ambtenaar voor de helft wél moet doen?

„Bijvoorbeeld. En niemand zeurt over pensioen. Het bestuur heeft net mijn contract verlengd met nog twee jaar. Tot januari 2009. Maar dan ga ik ook weg.”

Dat contract sluit u af met de Raad van Toezicht. Zij controleert u?

„Ja, maar alleen achteraf. Ik leg mijn globale plannen natuurlijk wel aan de toezichthouders voor – en die keuren dan goed of niet. Maar goedkeuren doen ze altijd, en dán gaan we aan de slag. Het gaat om het management, ziet u. Dát maakt het museum.”

En het management bent u?

„Ja. Ik zei bij mijn aantreden: ‘Dit is nu mijn winkel. En het moet ook jullie winkel worden. Wij met z’n allen gaan er de beste winkel van Nederland van maken.’ Daar ben ik al-tijd mee bezig.”

Uw vorige Raad van Toezicht is in maart 2004 bijna voltallig afgetreden. In de jaarrekeningen van het museum wordt er geen melding van gemaakt. Dat is ongebruikelijk. Een lid van een Raad van Toezicht treedt eens in de drie, vier jaar af en zijn of haar plaats wordt vervangen door iemand die de Raad zelf aanzoekt.

„Twee zijn er gebleven, die zaten er net in. Ik wil er wel wat over zeggen, maar ik weet niet of dat interessant is.”

De kritiek van de oude Raad is dat u ze steeds pas achteraf informeerde. Vaak moesten de toezichthouders in de krant lezen wat u aan het doen was, ook waar het om miljoenenprojecten als de Wonderkamers ging. Zij konden alleen nog maar ‘ja’ zeggen.

„Mijn bestuur wordt voortdurend ingelicht.”

Maar uw oude Raad vond de informatiestroom blijkbaar onvoldoende. Zij zeggen dat ze de verantwoording voor ‘good governance’ niet meer konden nemen. Dat u eigenlijk alleen wilde dat ze sponsors wierven.

„Zo heb ik dat nooit gezegd. Ik vond wel dat ze er iets meer aan konden doen. Ik heb bij mijn voordracht in 2000 tegen de oude Raad van Toezicht gezegd: ‘Ik moet mijn belang aan jullie aflezen. En jullie moeten niet jullie belang aan het museum aflezen.’ Zoiets was het ongeveer. Ik heb wel eens een weddenschap met ze gedaan. ‘Ik zorg voor twee ton en jullie ook.’”

En zij haalden geen twee ton binnen.

„Nee.” Even is het stil. „Kom op nou, zeg! Een Raad van Toezicht moet toch inspirerend zijn! En dat waren ze niet! Wat betreft dat controleren: ik heb hier een heel goede accountant en een heel goede controller.”

De Code Cultural Governance beveelt aan om tussen de vier en de zeven keer per jaar te vergaderen. Hoe vaak vergadert u met uw toezichthouders?

„Maximaal vier keer. Daar doen we het mee.”

Dat kan dus ook één keer zijn.

„Ja, dat kan. Eén keer is meer dan genoeg. Mijn huidige Raad van Toezicht functioneert perfect. Ik heb de beste Raad van Toezicht van Nederland.”

U heeft die Raad op die twee jonge zittenblijvers na zelf aangezocht en benoemd in 2005. Voorzitter is Joop van Caldenborgh, een goede kennis van u, die u ook voor het bestuur van de Kunsthal had gevraagd.

„Ja, dat klopt. Kijk, als je niets doet gebeurt er ook niets. Kein Geschäft ohne Risiko.”

U maakt dertig tentoonstellingen per jaar in het Haags Gemeentemuseum, vijftig tentoonstellingen als je ook de andere musea erbij telt. Uw musea zijn tentoonstellingsmachines.

„Het Gemeentemuseum bestaat van zijn tentoonstellingen. Dat is mijn filosofie. Met de vaste collectie trek je geen publiek.”

Die vaste collectie, met name de topstukken van Mondriaan, zijn bijna voortdurend op reis. De inkomsten van het bruikleenverkeer zijn explosief gestegen.

„Nou, voortdurend op reis. Drie maanden per jaar geloof ik. Ik heb nu net een tentoonstelling gemaakt in Brescia, waar negentig van onze top-Mondriaans hangen. Dat is een commerciële onderneming. Daar verdien ik heel veel geld mee. Daar kan geen sponsor tegenop.”

Die tentoonstelling in Brescia duurt een half jaar, en eind van het jaar hangen de Mondriaans weer in het Ludwigmuseum, ook voor een lange periode. Binnen en buiten het museum wordt gefluisterd over het ‘opgebruiken’ van de Mondriaans. De schade van het vele reizen is nog niet met het blote oog te zien, maar die zou er volgens experts zijn. Verandert de collectie van het Haags Gemeentemuseum in een deftige artotheek?

„Onzin! Totale onzin! Natuurlijk is het ’t beste om die kunstwerken in het donker in een kist in de kelder te zetten. Dan kan er nooit licht bij, dan gebeurt er nooit wat. Maar tegenwoordig kun je alles perfect vervoeren, we hebben hier een zeer uitgekiende organisatie, we hebben de beste kisten van de wereld ontwikkeld, alle transportauto’s zijn luchtgeveerd. Ongelukken gebeuren zelden.”

De drie hoofddoelstellingen van een museum zijn bewaren, beheren en tonen. Is dat evenwicht zoek?

„Evenwicht… wat is nou evenwicht? Hier heerst mijn evenwicht.”

Er woedt al jaren een strijd tussen u en een aantal van uw medewerkers over het toegestane lichtniveau in het museum. U staat veel meer ‘lux’ toe dan mondiaal is vastgesteld.

„Bij die norm van vijftig lux wil ik wel wat vraagtekens stellen. Je hoeft echt niet te gaan huilen als het vijfenvijftig of vijfenveertig lux is.”

Maar wel als het een veelvoud van vijftig is?

„Luister, ik was gisteren in het Ludwig museum – daar was de lichtintensiteit ver over de honderd lux, op de Picasso-afdeling.”

Bij de grote ‘Schiele, Klee en Klimt’-tentoonstelling die u in 2004 organiseerde, is grote strijd gevoerd over de lichtsterkte. Ook de bruikleengevers maakten zich zorgen. U bent zo in drift ontstoken toen, dat u een restaurator van het museum die het lichtniveau op de zalen had opgemeten fysiek te lijf ging. Waarom doet u zoiets?”

„Dat is een onzinnige, infame en onjuiste beschuldiging. Wat spreekt u voor rare mensen? Als die bruikleengevers niet tevreden zouden zijn, zouden ze toch niet uitlenen?”

In het Escher-museum, waar bijna uitsluitend werken op papier hangen, heeft u een oplossing bedacht voor dat lichtprobleem. Door facsimiles op te hangen.

„Inderdaad.”

Meer dan negentig procent van wat in het Paleis hangt is facsimile. Van de honderdzestig tentoongestelde werken zijn er tien echt.

„Ja, want je kunt geen tekeningenmuseum maken.”

Vertelt u dat ook aan het publiek dat 7,50 toegang betaalt?

„Ik heb netjes op een klein bordje bij de ingang gezet dat sommige van de tentoongestelde werken niet origineel zijn. Ja zeg, ik ga echt niet aan de gevel spijkeren dat het hier vol hangt met facsimiles!”

U vindt het geen publieksbedrog dat u zo spaarzaam informatie geeft? In feite staat het publiek dus naar een reproductie te kijken.

„Publieksbedrog? Escher maakte toch werk om te vermenigvuldigen? Hij zou hier ongelooflijk enthousiast over zijn geweest. Wij doen precies wat Escher wil. Hoe meer reproducties, hoe beter.”

U onderhoudt warme banden met uw sponsors. De Rabobank sponsort tentoonstellingen in uw museum en in datzelfde jaar krijgt de bank ook een grote tentoonstelling uit zijn eigen collectie (‘HxBxD’). Voor de collectie van het Bouwfonds, dat de Toorop-Klimt-tentoonstelling vorig jaar sponsorde, geldt hetzelfde. Is tentoonstellingsruimte bij u te koop?

„Het gaat andersom. Die collecties komen naar mij toe om te vragen of ze tentoonstellingen kunnen krijgen. Dan kijk ik natuurlijk eerst of het een interessante collectie is, of het past binnen onze maatstaven – en als dat het geval is dan zeg ik: ‘Ok, maar wat heb ik daaraan? Wat houd ik daaraan over?’ Dat is toch een aardige gang van zaken?”

Hoe bewaakt u uw onafhankelijkheid? Als het Bouwfonds niet met geld over de brug zou komen, zou u hun collectie dan toch tentoonstellen?

„Het zijn prachtige collecties. Daar mankeert niks aan. Het Bouwfonds heeft een museale collectie.”

Met dank aan het feit dat ze in het Gemeentemuseum mogen tentoonstellen.

„Wat suggereert u nou? Ik ben totaal onafhankelijk. De grenzen liggen altijd bij inmenging in onze politiek. Ik heb nog nooit een sponsor in Nederland ontmoet die invloed wil hebben op het tentoonstellingsprogramma.”

U heeft nu een aankooptentoonstelling op zaal hangen, die overigens zeer slecht besproken is in deze krant. Het betreffen aankopen die u heeft gedaan met het geld dat u op een veiling bij Sotheby’s in Londen verdiende door een schilderij van de Russische kunstenaar Masjkov uit de eigen collectie te verkopen.

„Ja, dat was een buitenkansje. Dat stuk in uw krant was trouwens een schandelijk stuk. Maar goed, dat hele slechte schilderij van Masjkov leverde meer dan drie miljoen euro op. Geweldig niet?”

U heeft bij datzelfde Sotheby’s voor ten minste zevenhonderdduizend euro teruggekocht aan kunst. Had u een afspraak bij het veilinghuis? Dat als u daar terug zou kopen bijvoorbeeld geen opgeld hoefde te betalen?

„Nee, ik ben zelfs nooit in Londen geweest. Ik heb catalogi bekeken. Hier.”

En die liet u dan zien aan uw conservatoren?

„Soms.”

Heeft u in het algemeen overlegd met uw conservatoren over hiaten in de collectie of over wenselijke aankopen?

„Af en toe liet ik wel eens wat zien, zo van: wat vind jij daarvan?”

Maar u bent niet om de tafel gaan zitten?

„Nee zeg, ben je gek! Dan krijg je een Rabobank-kunstcollectie, een bedrijfskunstcollectie. Ik beslis wat er wordt aangekocht.

„Ik weet niet of ik dit nou zo’n leuk gesprek vind. Ik denk: ach, u met uw ‘onderzoeksjournalistiek’ – word toch crime fighter.”

U kunt moeilijk tegen kritiek.

„Ik heb een ongelóóflijke hekel aan kritiek!”

Waarom?

„Ik vind het áltijd onterecht. Ik ben een enthousiast mens. Ik ga voor mijn winkel – en dan verschijnt er zo’n zeurstukje in de krant. Ik denk dan: hoepel op! Dan heb ik de neiging om de volgende dag een grote advertentie in de krant te zetten met de tekst: ‘IK HEB GELIJK’.”

    • Lucette ter Borg