Het monoculturele drama

Amerika mag dan het grote voorbeeld zijn in het Nederlandse debat over effectieve inburgering, Canada doet het op dit gebied veel beter. Hoe komt dat?

Little Italy, New York Foto Bertrand Rieger United States, New York, Manhattan, Little Italy, restaurant on Hester Street hemis.fr

Irene Bloemraad: Becoming a Citizen. Incorporating Immigrants and Refugees in the United States and Canada. University of California Press, 369 blz. € 24,–

Ruud Koopmans, Paul Statham, Marco Giugni: Contested Citizenship. Immigration and Cultural Diversity in Europe. University of Minnesota Press, 312 blz. € 29,–

In het debat over integratie van nieuwkomers wordt steeds vaker mismoedig geconstateerd dat nationaal beleid er weinig toe lijkt te doen. Alle West-Europese immigratielanden kampen immers met vergelijkbare problemen. Twee recente, imposante studies claimen echter dat nationaal beleid wel degelijk bepalend is voor de integratie van migranten.

Irene Bloemraad, auteur van Becoming a Citizen, vergelijkt de inburgeringspolitiek van Canada en de Verenigde Staten. Zij laat zien dat zich tussen beide landen grote en sterk toenemende verschillen voordoen in het politiek burgerschap van migranten. Terwijl dit burgerschap zich in Canada volop ontwikkelt, neemt de politieke incorporatie van migranten in de VS af. Zij betoogt dit aan de hand van drie centrale aspecten van politiek burgerschap: naturalisatiecijfers, deelname van migranten aan politieke organen en de mate waarin migranten zich organiseren en hun wensen articuleren.

Op al deze drie punten doet Canada het veel beter dan de VS: 72 procent van buiten Canada geboren migranten hebben de Canadese nationaliteit verworven, bijna het dubbele van het percentage in de VS. En tegenover 15 procent parlementsleden in Canada van buitenlandse afkomst, heeft het Amerikaanse congres nog geen 2 procent foreign born afgevaardigden. Tenslotte is het maatschappelijk middenveld van migrantenorganisaties in Canada veel sterker ontwikkeld dan in de VS.

Dit contrastbeeld is verrassend, juist omdat in het Nederlandse debat over effectieve inburgering de VS het grote voorbeeld zijn terwijl Canada figureert als een wat naïef multicultureel land. Bloemraad verrast anti-multiculturalisten echter niet alleen met haar conclusies, ook haar verklaring voor de verschillen in burgerschap is opvallend. Zij wijt deze namelijk aan dit zo vermaledijde multiculturalisme: ‘Er zit een zekere ironie in de conclusie dat het Canadees multiculturalisme – vaak aangevallen als maatschappelijk splijtend – politieke integratie aanmoedigt.'

Aan de hand van een grootschalig kwalitatief onderzoek onder de Portugese en Vietnamese gemeenschappen in Toronto (Canada) en Boston (VS) gaat Bloemraad na waarom het multiculturele beleid van de Canadese regering effectiever is dan het laissez-faire-beleid van de Amerikanen. Zij concludeert dat zowel de materiële ondersteuning van migranten die Canada binnenkomen (het wegwijs maken in de Canadese samenleving, hulp bij taalcursussen, steun voor migranten die zich organiseren) alsook de symbolische boodschap die wordt uitgedragen (jullie zijn welkom als Canadese staatsburgers) het verschil met de VS verklaren. In de VS krijgen alleen politieke vluchtelingen enige vorm van ondersteuning; economische migranten moeten het zelf maar zien te rooien. Met name deze laatste groep – in haar onderzoek de Portugezen – blijkt dan ook op grote afstand te staan van de Amerikaanse politieke en publieke sfeer.

De studie van Koopmans en de zijnen, Contested Citizenship, heeft ook betrekking op politiek en publiek burgerschap. In hun onderzoek staat de vraag centraal hoe migranten politiek en publiek van zich laten horen ('claim making'). Hiertoe hebben zij onder meer een grootschalig krantenonderzoek gedaan in Duitsland, Frankrijk, Nederland, Zwitserland en Engeland. De grote verschillen die zich voordoen in de claim making van migranten corresponderen veelal met hoe migranten worden ‘aangesproken’ in hun gastland. Gebeurt dat op z’n Frans, dan is er weinig ruimte voor groepsidentiteiten die in het republikeinse Frankrijk niet veel ruimte krijgen; in Engeland spreken migranten in navolging van politici aldaar de taal van ‘race’, terwijl in Nederland, Duitsland en Zwitserland migranten zichzelf presenteren als etnische en nationale groepen, omdat zij daarmee weerklank vinden in de politiek. Juist gelet op de grote verschillen in zowel de identiteit van migranten als in de wijze waarop politiek en nieuwkomers met elkaar omgaan (meer of minder pacificerend), zien Koopmans c.s. weinig aanleiding om de relevantie van nationale staten en nationaal beleid te relativeren, alle bloemrijke, postmoderne verhalen over transnationale gemeenschappen ten spijt.

Leggen we beide indrukwekkende studies naar burgerschap naast elkaar, dan delen ze één belangrijke conclusie: het is veel te vroeg om de relevantie van nationaal beleid af te schrijven. Maar er springt ook een opmerkelijk verschil in het oog: wat onder burgerschap wordt verstaan, loopt in beide studies zeer uiteen. Nu hoeft dat geen probleem te zijn zolang de conclusies van de boeken sporen met hun specifieke inzet. Bij Bloemraad is dat het geval. Zij beperkt haar conclusies tot de politieke integratie van migranten en de mogelijkheden van nationale overheden om hieraan bij te dragen. Haar aanbevelingen zijn hierbij vooral gericht aan het adres van de Amerikanen, die zich ruimhartiger en met meer waardering voor nieuwkomers zouden moeten opstellen.

In het boek van Koopmans c.s. gebeurt er echter iets merkwaardigs. Zo trekken zij conclusies over politiek burgerschap in het algemeen terwijl zij maar enkele aspecten daarvan hebben onderzocht. Over de mate waarin migranten zijn opgenomen in politieke organen komen we bijvoorbeeld helemaal niets te weten. Impliciet blijkt de redenering van de auteurs echter te zijn dat migranten niet participeren in algemene instellingen zoals het parlement. Zij trekken namelijk de royale conclusie dat migranten weinig deelnemen aan het debat in Nederland omdat uit hun krantentellingen blijkt dat de inbreng van migrantenorganisaties laag scoort. Maar zou het geen teken van politiek burgerschap kunnen zijn als velen meedoen in algemene organisaties?

Vallen er over politiek burgerschap aan de hand van het onderzoek van Koopmans en de zijnen maar beperkte conclusies te trekken, nog opmerkelijker is dat zij stellige uitspraken poneren over de economische, sociale en culturele integratie van migranten. Niet alleen was dit niet de inzet van het boek, de data die daartoe impressionistisch worden geïntroduceerd, overtuigen ook geenszins. Ze hebben bovendien, en dit in tegenstelling tot de rest van het boek, geen systematisch vergelijkend karakter. Deze pagina’s zijn vooral een tirade tegen het vermeende ‘over the top-multiculturalisme’ van Nederland dat verantwoordelijk zou zijn voor de integratieproblemen alhier, die zij zonder onderbouwing als groter definiëren dan in landen als Duitsland en Frankrijk.

Dit belangwekkende boek wordt ontsierd door een grote agressie tegen het Nederlandse beleid, waarbij bovendien opvalt hoe gedateerd het beeld van Nederland is waartegen de auteurs zich keren. Het is immers alweer zo’n twintig jaar geleden dat politiek Den Haag afscheid nam van de gedachte van ‘integratie met behoud van eigen identiteit’. In 1992 werd zelfs als officieel beleid vastgesteld dat culturele diversiteit iets was waar migranten zich zelf mee mochten bezighouden, terwijl de politiek zich primair ging richten op de achterstanden in de harde sectoren: onderwijs, arbeid, huisvesting.

Recentelijk bemoeit de politiek zich weer sterk met culturele en religieuze kwesties van migranten. Maar dit keer toch bepaald niet vanuit een ‘over the top multicultureel’ perspectief. Vandaag lijkt er eerder sprake van monoculturalisme. Migranten hebben zich aan te passen (zie het boerkaverbod dat vooral buiten Nederland veel discussie oproept); als het ze hier niet bevalt, dan kunnen ze vertrekken.

Wie het boek van Bloemraad leest en aan Nederland denkt, zal zich afvragen of de maatregelen die de afgelopen jaren zijn genomen de versterking van burgerschap van migranten nu helpen of veeleer in de weg zitten. Ik vrees het laatste. Er bestaat immers weinig waardering meer voor organisaties van migranten, het aantal migranten in de Tweede Kamer is teruggelopen na de jongste verkiezingen en de eisen voor naturalisatie worden voortdurend opgeschroefd. Als straks de politieke integratie van migranten (verder) stagneert, dan zullen we het onomkeerbare bewijs hebben dat nationaal beleid er wel degelijk nog toe doet. Maar blij zullen we met die conclusie dan niet meer zijn.