Het absolutisme was ook relatief

Willem Frijhoff en Leo Wessels (red.): Veelvormige dynamiek. Europa in het ancien régime 1450-1800. SUN / Open Universiteit, 479 blz. €39,50

Sean Lang: Europese geschiedenis voor Dummies. Pearson Education, 432 blz. € 27,95

De bundel Veelzijdige dynamiek, , komt met het oog op de aanstaande veranderingen in het geschiedenisonderwijs precies op tijd. In dit dertien hoofdstukken tellende boek is een helder en compact overzicht gegeven van de nieuwste inzichten in de belangrijkste processen die tijdens het ancien régime in Europa speelden. Dit boek laat zich lezen als één grote kanttekening bij de voor deze periode door de Commissie-De Rooy opgestelde lijst met ‘kenmerkende aspecten’.

Volgens deze commissie dienen in tijdvak 5 (de 16de eeuw die in de Tijd van Ontdekkers en Hervormers is omgedoopt) de ontdekkingsreizen, de renaissance, de reformatie en de Nederlandse Opstand aan bod te komen. Na behandeling van de 17de eeuw, de Tijd van Regenten en Vorsten, moeten begrippen als het absolutisme, het handelskapitalisme en de wetenschappelijke revolutie vertrouwd in de oren klinken én moet de bijzondere positie van de Republiek op staatkundig, economisch en cultureel terrein bekend zijn. Voor de 18de eeuw, de Tijd van Pruiken en Revoluties, zijn de Verlichting, het verlicht absolutisme, de transatlantische slavenhandel en de democratische revoluties de belangrijkste bijzonderheden.

Veelvormige dynamiek sluit aan op deze thema’s. Zo nuanceert Gé Prince overtuigend de stelling dat in de 17de eeuw ‘wereldwijde handelscontacten, handelskapitalisme en het begin van een wereldeconomie’ een van de vier belangrijkste ontwikkelingen zouden zijn. Nadat hij heeft laten zien hoe dankzij het werk van Immanuel Wallerstein het begrip ‘wereldeconomie’ als wezenlijke karaktertrek voor de Vroegmoderne Tijd inburgerde, zet hij daar de resultaten van recent historisch onderzoek tegenover. Zijn conclusie luidt: ‘de waarde van de internationale handel bedroeg aan het einde van de 18de eeuw in Engeland en in de Republiek tien tot vijftien procent van het nationale inkomen. Ook de in totaal in Europa aanwezige scheepsruimte geeft aan dat de omvang van de internationale handel gerelativeerd moet worden’. Hij sluit af met de waarschuwing dat ‘de expansie van de handel de meeste aandacht trekt, maar in vrijwel geheel Europa overheerste toen nog steeds de agrarische sector en daarbinnen weer de productie voor eigen gebruik’.

Belangrijker en meer fundamenteel van aard, zijn de nuanceringen van de politieke ontwikkelingen. Het is, na het lezen van de bijdragen van Peter Rietbergen en van Maarten Prak, nog maar de vraag of dit proces tot ‘het streven van vorsten naar absolute macht’ gereduceerd mag worden. Na een uitputtende rondgang door de internationale literatuur komen deze historici tot de conclusie dat de vorsten niet geslaagd zijn in het verwerven van een absolute (al dan niet door God gelegitimeerde) macht. Een absolute macht hebben de vorsten in de staten van het Europese ancien régime nooit volledig en definitief bereikt; het Rusland van tsaar Peter de Grote komt nog het dichtst in de buurt van deze status. ‘Altijd’, aldus Rietbergen, ‘bleven deze staten, ook al kregen ze in een aantal gevallen het politieke karakter van een ‘absolute’ monarchie, toch de juridische, sociale en psychologische kenmerken van de standen- en corporatiemaatschappij behouden.’

Lange tijd is het bewind van Lodewijk XIV (1661-1715) de norm geweest waaraan de vroegmoderne staatkundige geschiedenis diende te worden afgemeten. Paul Knevel plaatst hier grote vraagtekens bij. Hij laat zien dat de absolutistische bestuursstijl van de Zonnekoning nuttig was bij het herstellen van het geschonden aanzien van de monarchie, maar dat deze ongeschikt was voor crisismanagement. Daarvoor ontbrak het de vorst – ver weg in zijn droomwereld in Versailles – aan voldoende realistische informatie en aan de wil om de bestaande sociale orde te doorbreken. Knevel beschrijft de laatste decennia van het bewind van Lodewijk XIV – toen deze profeet tot steeds minder wonderen in staat was en hij als veldheer ook steeds minder veldslagen wist te winnen – dan ook treffend als een ‘zonsondergang’. Zelfs de 18de-eeuwse variant – het verlicht absolutisme – ontkomt niet aan een kritische herwaardering. Dit was, zo schrijft Knevel ter afsluiting, ‘zo bezien niet meer dan een laatste stuiptrekking van het ancien régime’.

Omdat ook kerk en religie (door Peter van Rooden), de Wetenschappelijke Revolutie (door Geert Vanpaemel), de Verlichting (door Jan Wim Buisman) en een vergelijking van de Engelse, Amerikaanse, Franse en Nederlandse revolutie (door Anton van de Sande en Leo Wessels) in afzonderlijke bijdragen behandeld worden, is Veelvormige dynamiek een onmisbaar boek voor wie de stand van zaken wil leren kennen van het tijdvak tussen 1450 en 1800. Het zou bij de universitaire geschiedenisopleidingen een verplicht handboek moeten zijn. Geschiedenisdocenten biedt het de broodnodige nuance van de voor de vroegmoderne tijd opgestelde lijst met ‘kenmerkende aspecten’.

Als laatstgenoemde groep in dit boek op zoek gaat naar pakkende voorbeelden of naar smakelijke verhalen, dan zullen ze van een koude kermis thuis komen. Dan kunnen ze beter Europese geschiedenis voor dummies ter hand nemen. Hierin laat Sean Lang – eresecretaris van de Historical Association – in vogelvlucht zien hoe Europa geworden is tot wat het is. In begrijpelijke taal worden de belangrijkste gebeurtenissen, personen en processen op een rijtje gezet. De beschrijving is een grotere kracht dan de analyse. Doordat de auteur een flinke dosis humor door zijn verhaal mengt, hij regelmatig met onverwachte vergelijkingen komt aanzetten en hij bij tijd en wijle ongemeen harde veroordelingen uitspreekt kan het – ondanks de wanstaltige vormgeving – een waardevolle informatie- en inspiratiebron zijn.

    • Cor van der Heijden