Geen spoor van verzoening in Bagdad

Beëindiging van het geweld en dan een grote verzoening: daarop is het grote veiligheidsoffensief in Bagdad gericht. Maar een omstreden verkrachting toont dat verzoening niet aan de orde is. En: de rebellen zijn even weg.

Een Iraakse soldaat, die gisteren in het kader van het grote veiligheidsoffensief op patrouille was in de Haifastraat in het centrum van Bagdad, gaf snoep aan kinderen. Foto Reuters An Iraqi soldier gives candy to a boy while on patrol in Haifa street in Baghdad February 22, 2007. REUTERS/Namir Noor-Eldeen (IRAQ) REUTERS

Dat verzoening tussen shi’ieten en sunnieten in Irak ver weg is, onderstreept het sektarische twistvuur dat deze week is losgebarsten rond de ‘verkrachting’ van Sabrin al-Janabi. Janabi – de schuilnaam waaronder de 20-jarige sunnitische vrouw bekendstaat – maakte maandag op de Arabische televisiezender Al-Jazeera bekend te zijn verkracht door Iraakse shi’itische politiemannen die in de hoofdstad Bagdad deelnemen aan het grote veiligheidsoffensief operatie Fard al-Qanun, Arabisch voor wetshandhaving.

De shi’itische premier Nouri al-Maliki wist nog geen dag later te melden dat de beschuldiging was verzonnen om het offensief te ondermijnen, en dat Janabi met sunnitische rebellen samenwerkte. Tot onthutsing van de Amerikanen maakte de premier een Amerikaans medisch onderzoek openbaar van naar zijn zeggen Jannabi – de naam is onleesbaar gemaakt. Het onderzoek constateerde geen sporen van verkrachting.

Vervolgens – nog steeds dinsdag – kende Maliki een onderscheiding toe aan de drie beschuldigde politiemannen. Woensdag ontsloeg hij een hoge sunnitische functionaris die om een onderzoek had gevraagd. Die sloeg terug met de beschuldiging voor het Arabische tv-station Al-Arabiya dat Janabi slechts een van de velen is die zijn aangerand tijdens het offensief. „Veel meisjes worden verkracht, maar ze weigeren in de media te verschijnen om hun reputatie niet te bezoedelen”, zei hij.

Irak is zover heen dat het er allang niet meer toe doet of Janabi liegt, zoals de shi’ieten zeggen, of de waarheid spreekt, zoals veel sunnieten volhouden. De sunnieten hebben tot hun schade ervaren dat de politie diepgaand is geïnfiltreerd door shi’itische milities en constateren dat het Amerikaans-Iraakse veiligheidsoffensief in zijn eerste twee weken voornamelijk op sunnitische rebellen was gericht en dat shi’itische buurten (nog) worden gespaard. Voor hen kan Janabi’s verhaal alleen maar waar zijn. Een nieuwe verkrachtingszaak, in Tal Afar, waarin vier Iraakse soldaten in staat van beschuldiging zijn gesteld, sterkt hen in deze overtuiging. Voor de shi’ieten, die sunnieten collectief zien als gevaarlijke geweldplegers, is haar verhaal hoe dan ook onwaar.

In de Amerikaanse optiek moet operatie Wetshandhaving Bagdad van zijn geweldplegers zuiveren om een grote verzoening tussen sunnieten en shi’ieten mogelijk te maken. Alleen zo’n verzoening kan een stabiel Irak mogelijk maken – en een redelijk ordentelijke Amerikaanse terugtrekking. Maar waar mensen niet meer bereid zijn om naar elkaar te luisteren, is geen begin van toenadering mogelijk.

Gaat het militaire deel van het offensief wél naar wens? De door shi’ieten gedomineerde Iraakse regering meldde vorige week juichend dat het geweld 80 procent was teruggelopen door het offensief. Ongeveer 90.000 Amerikaanse en Iraakse militairen en politiemannen kammen buurten uit waar ze dan een permanente post inrichten die de boel onder controle moet houden.

Maar de Amerikaanse commandanten hebben geleerd van vroegere offensieven – afgelopen augustus nog, tijdens het vorige grote offensief in Bagdad – waarin ze succes claimden en korte tijd later met een nóg heftiger geweldsgolf werden geconfronteerd. Zij waarschuwen dat het maanden kan duren voor iets met zekerheid kan worden gezegd. „We weten dat we nog zware dagen voor de boeg hebben”, zei luitenant-generaal Ray Odierno, commandant van de internationale troepenmacht in Irak, gisteren op een briefing in Bagdad. „Het succes van de missie komt over maanden, niet weken of dagen.”

Maar de vraag is of het een succes zal zijn. Niet alleen omdat de zware bomaanslagen doorgaan, nog nooit zoveel Amerikaanse helikopters zijn neergehaald en voor het eerst ook een soort chemische bommen met chloorgas worden gebruikt. Een slechter voorteken is dat het offensief voorlopig relatief vreedzaam verloopt. Dat komt doordat de operatie veel voorpubliciteit heeft gehad en de meeste sunnitische en shi’itische extremisten zich even uit de hoofdstad hebben teruggetrokken of hun wapens hebben verstopt en een tijdelijk net burgerbestaan leiden.

Er zijn bijvoorbeeld berichten dat veel commandanten van het Leger van de Mahdi van de fel anti-Amerikaanse shi’itische geestelijke Muqtada Sadr (onder wie Sadr zelf) hun toevlucht hebben gezocht in het buurland Iran. Daarvan is nog geen bewijs. Maar er is wel bewijs dat rebellen zijn verhuisd naar de provincies rond Bagdad.

In Baqouba bijvoorbeeld, 55 kilometer ten noorden van Bagdad in de provincie Diyala, is volgens het persbureau AP het aantal aanvallen op Amerikaanse troepen sinds de zomer met 70 procent toegenomen (van 90 tot 157 per maand). Amerikaanse functionarissen in Diyala – waar zowel sunnieten als shi’ieten elkaar proberen te verjagen – maken daaruit op dat er een aanzienlijke toevloed is van extremisten. „Ze overstromen Diyala”, zei een Amerikaanse legerkapitein vorige week tegen AP.

Dat gebeurt altijd bij offensieven in Irak. Tijdens het grote Amerikaanse offensief tegen sunnitische extremisten in de westelijke stad Falluja in november 2004 bijvoorbeeld. Terwijl de Amerikaanse mariniers Falluja uitkamden, laaide het geweld op in talrijke andere sunnitische steden. Delen van de grote noordelijke stad Mosul vielen tijdelijk zelfs in handen van opstandelingen en het centrum van Ramadi werd rebellenland. Ook in het even tevoren gepacificeerde Samarra sloeg het geweld toen weer toe.

Mahmoud Othman, een onafhankelijk Koerdisch parlementslid dat vaak verstandige uitspraken doet over de Iraakse situatie, zei drie dagen geleden tegen de Arabische krant Asharq al-Awsat: „Het veiligheidsplan is niet meer belangrijk omdat de meerderheid van diegenen die zijn beschuldigd of worden gezocht wegens de veiligheidsproblemen, tijdelijk uit Irak zijn vertrokken of van straat zijn verdwenen. Met het voornemen hun activiteit te hervatten als de stringente veiligheidsmaatregelen die nu worden uitgevoerd en die mogelijk beperkt succes zullen hebben, weer worden versoepeld. De situatie kan slechter eindigen dan ze vóór de uitvoering van het veiligheidsplan was.”