Geen meesterwerk? De Here zij dank!

Aan ‘Dis’ is van alles mis. Dat zeggen althans de beroepslezers. Maar zie het eens anders en laaf je aan de personages en natuurbeschrijvingen.

Een beetje schrijver streeft naar het hoogste. Ieder boek opnieuw probeert hij dat ene meesterwerk te schrijven dat in geen literatuurgeschiedenis mag ontbreken. Een beetje schrijver is echter slim genoeg om te begrijpen dat hij er beter aan doet dat meesterwerk uit te stellen tot hij zeventig is. Na een meesterwerk kan het immers alleen maar minder worden. De paradox ligt voor het oprapen: een beetje schrijver streeft naar het meesterwerk dat hij liefst nog jaren ongeschreven laat. Ga daar maar eens mee om.

Marcel Möring is niet zomaar een beetje schrijver. Ik heb zijn werk gevolgd en er van genoten. Als laatste van zijn novelle Modelvliegen, een parel aan dezelfde kroon waaraan Mendels erfenis (1990), Het grote verlangen (1992), Bederf is de weg van alle vlees (1995) en In Babylon (1997) schitteren.

Marcel Möring is geen veelschrijver. Toch kun je van een oeuvre spreken. Hoe? Een oeuvre is een niet nader bepaald aantal boeken van een auteur, van wie je de naam niet nodig hebt om hem uit duizenden te herkennen. Waaraan ik Möring herken? Aan zijn ernst, nogal statig soms. Beetje rabbi-achtig. Het is dan ook de joodse verteltraditie waarbij hij het dichtst aansluit, in die traditie is hij op zijn best. Zie In Babylon, zie Modelvliegen. Met de joodse traditie had ik helemaal niets – ik stam uit heidense, Friese grond. Möring was de eerste die mij er binnen wist te leiden (met Mendels erfenis). Ik ben hem er nog steeds dankbaar voor. Er is ook iets dwars aan Möring wat mij zeer bevalt. Geen pluimstrijker, en hij houdt de rug recht als hij bestookt wordt met kritiek.

De afgelopen tien jaar heb ik met smart op een nieuwe Möring gewacht. Dat boek is er nu. Dis. 506 pagina’s, niet niks. Voor mij had hij zijn naam er niet op hoeven laten zetten. Je herkent ’m meteen. Stijl, houding, statigheid, didactiek. Moet ik het boek samenvatten? Nee, dat deden anderen al. Vond ik het een mooi boek? Ja, een typische Möring. Goed, van een aantal typografische nieuwerwetsigheden uit vervlogen tijden was ik niet zo gecharmeerd. De strip midden in het boek vind ik niet alleen saai getekend, maar ook flauw. Er zit ook een zekere overkill in, als het om verwijzingen gaat. Maakt Möring een van zijn vele toespelingen op Dante, Joyce of anderen, dan zet hij het er duidelijk bij. En de herhalingen van beeldspraken krijgen soms iets hamerachtigs, als in een litanie.

Hee, wacht even! De litanie is de klassieke, katholieke repeteerwekker. Moeder Maria tot en met in de hemelen gevaren, et cetera, et cetera, tot de prevelende litanist een ons weegt. Wat heeft een joods-traditionele auteur als Möring met toffelemonen als Dante en Joyce? Ik heb er niet direct antwoord op. We kunnen wel vaststellen dat met het noemen van deze twee namen – Joyce als wegbereider van de 20ste-eeuwse literatuur, Dante de grote baanbreker van de moderne moerstaal-letteren – pure ambitie aan de dag komt, van een schrijver die er toe doet.

Marcel Möring heeft weinig boodschap aan het gevestigde literaire klimaat. Daar is hij een buitenstaander, zijn boodschap raakt hij liever elders kwijt. Bij de anonieme lezer bij voorbeeld. Dit levert hem hoon op bij beroepslezers, die zeggen: dit is een doodgekookte Joyce, geen vlees meer aan de botten. Dante-kenners zeggen: dit is slappe Dante-thee. Hoon van mensen die ‘hun’ Dante kennen, en ‘hun’ Joyce, ze hebben aan een half woord genoeg en hebben geen behoefte aan de didactische kant van Marcel Möring, Dis is in die zin ‘te democratisch’.

Ik hoor zelf bij die mensen, toegegeven, maar toch geniet ik van de nieuwe Möring. Hoe moet ik het uitdrukken?

In Cervantes’ Don Quichot wordt een dorpsvrouw beschreven ‘met een niet eens zo knappe bolle toet en platte neus, een laag-bij-de-grondse, lelijke gedaante die enorm naar knoflook stinkt’. Ze heeft bovendien ‘een moedervlek, die bij wijze van snor op haar rechterlip zit, met zeven of acht blonde haren als gouden draden van meer dan een handpalm lang’. Allemachtig! denk je dan. Maar wat schrijft Cervantes? ‘Al had zij honderd van zulke moedervlekken, bij haar zouden het geen moedervlekken zijn, maar stralende manen en sterren.’

Het beeld is zwaar overdreven, maar zoiets bedoel ik. Er staat zo veel moois in Dis, dat de minpunten mij niet storen.

Er is ook geklaagd over clichés. Ik zie ze staan, maar ze deren me niet. Ik laaf me aan andere dingen. De natuurbeschrijvingen. Het tragische portret van Jakob Noach, die zich van bh-wederverkopertje opwerkt tot middenstandstycoon. De manier vooral waarop Jakob het geluk niet vindt, zijn houding ten aanzien van de vrouw: ‘Hij was een minnaar en een man die achter de minnaar stond, over diens schouder meekeek, hem bekeek, één wenkbrauw opgetrokken, een sneer om zin lippen.’ Ik zie mezelf terug, zoals ik vroeger was. De wijze waarop de gekwelde Marcus Kolpa in het leven staat; ik heb er zogezegd ‘voeling mee’. In vele andere personages, tot en met de beklagenswaardige Noach-eega Jetty Ferwerda, onder de bolster van alle intertekstuele verwijzingen en didactiek – ik vind een Mensch in hen en raak ontroerd. Excuus collega-beroepslezers, ik ben ook maar gewoon een sterveling.

En dat Dis geen meesterwerk is? De Here zij dank! Het oeuvre van Marcel Möring is nog lang niet af.