Frustratie

Hoe is het om in de schaduw te staan van mensen die je goed hebt gekend en die zo veel meer bereikt hebben dan jij? Over dat boeiende gegeven ging een onlangs uitgezonden tv-documentaire van Marcel Rözer in KRO’s Profiel. Hij had een broer van Johan Cruijff en een van Franz Beckenbauer opgezocht.

Juist het contrast tussen deze twee broers maakte het programma zo bijzonder. Ze bleken op een zeer verschillende manier terug te kijken op de relatie met hun beroemde broer. Bij Walter Beckenbauer leek er niet zoveel aan de hand. Hij was het contact met zijn broer nogal kwijtgeraakt, toen die tot zijn vijfentwintigste jaar hermetisch door zijn manager werd afgeschermd. Daarna was alles weer goed gekomen.

Walter was vol lof over zijn broer. „Het fascinerende is dat hij als mens zo intact is gebleven. Ik zou ook een fan van hem zijn als hij geen broer van me was.”

Bij Henny Cruijff kwam daarentegen een bijna pijnlijke rancune aan de oppervlakte. Hij leek zich door zijn jongere broer vergeten te voelen. Dat wrong des te meer omdat ze ooit samen met de jeugd van Ajax kampioen van Nederland waren geworden. „Dat was het ultieme”, zei hij, wijzend op de elftalfoto, „al die uren dat we samen gespeeld hebben.”

Maar ook wat betreft die gedeelde jeugd kwam er meteen een vervelende herinnering bij Henny boven: „Wat mij irriteerde was dat Johan altijd vals speelde, hij móest winnen.” Hun relatie werd slechter naarmate Johan bekender werd. „Per dag ging er met een kaasschaaf een stukje van hem af, op den duur had je alleen nog maar een korst in je hand, dat voel ik nog steeds zo.”

Henny leek helemaal in de ban geraakt van zijn teleurstelling, hij begon zelfs de prestaties van zijn broer te kleineren. Die had immers minder bereikt dan concurrenten als Franz Beckenbauer die wél wereldkampioen waren geworden. „Het is toch verschrikkelijk dat Johan zó weinig gedaan heeft met zijn talent”, riep hij uit. En hij herinnerde zich met verholen genoegen hoe iemand tegen hem had gezegd: „Wij stonden in de spits (tegen Argentinië in de WK-finale van 1978 – FA) met Nanninga, terwijl jouw broertje op de bank in Vinkeveen lag.”

Er zijn vruchtbaarder manieren om lucht te geven aan je frustraties als figurant in het leven van beroemde mensen. Onlangs zag ik de muziekfilm I’m your man, waarin allerlei artiesten nummers van Leonard Cohen zingen. Dat zijn hoofdzakelijk óók befaamde artiesten, zoals Rufus en Martha Wainwright en Nick Cave. Sommigen zijn behoorlijk op dreef, anderen – zoals de Wainwrights – stellen zich nogal aan.

Bij een aantal nummers zie je steeds dezelfde vaste achtergrondzangeressen van Cohen, een blonde en een donkere vrouw, beiden voorbij de dertig. Tegen het einde van de film mogen zij ook gezamenlijk een nummer brengen. Het heet Anthem en het was voor mij het hoogtepunt van de film. Gepassioneerd en zonder enige koketterie galmen en fluisteren de dames de stembanden uit hun lijf. Het klinkt bijna als een wraak op enkele voorgangers, die zichzelf belangrijker vonden dan de muziek van Cohen.

Julie Christensen en Perla Batalla heten ze. Hun bijdrage is te zien op www.youtube.com. Zing mee!