Een slaapwandelend leven

De zesde roman van Edzard Mik speelt zich af in Bulgarije tijdens het regisseren van een Oedipus-tragedie. Complex is het verhaal niet, maar Mik weet je wel met allure in te palmen.

Edzard Mik Foto Vincent Mentzel Edzard MIK,auteur;schrijver.foto VINCENT MENTZEL/NRCH==F/C==Amsterdam, 21 februari 2007 Mentzel, Vincent

Edzard Mik: Bleke hemel. Contact. 207 blz. € 21,90

Het is al een tijdje gaande bij Edzard Mik: een ontwikkeling in de richting van steeds grotere toegankelijkheid. De duisternis, hoe intrigerend ook, van zijn eerste boeken De bouwmeester (1995) en Yak (1996) is geleidelijk verdwenen. Personages zijn herkenbaar geworden, hun daden navolgbaar, de verwikkelingen van de plot laten zich met steeds minder moeite doorgronden. In Miks nieuwe – alweer zesde – roman Bleke hemel lijkt deze ontwikkeling zich nog verder te hebben doorgezet, in weerwil van de titel, die juist het onwerkelijke, moeilijk grijpbare, vergankelijke van de dingen lijkt te benadrukken.

Wanneer verteller en hoofdpersoon Bertrand Barend tijdens de ontknoping van de roman midden in het Bulgaarse Piringebergte naar het blauw van de hemel kijkt, een blauw dat ‘zo bleek [was] dat het geen stand leek te houden en elk moment kon worden gewist’, lezen we: ‘ik besefte dat dat bleke blauw míjn blauw was en werd wee van droefenis: in dat blauw was niets een lang leven beschoren, stond alles op het punt te vervagen’.

Dat wil zeggen: het ligt dus aan de hoofdpersoon. Het is zijn perspectief waardoor alles vaag, terugwijkend, dubbelzinnig wordt. Geen wonder, want uit alles blijkt dat Bertrand, een toneelspeler die op het toneelspel is uitgekeken, zich in een serieuze crisis bevindt. En daarbij helpt het niet dat zijn vriendin Anna voor een half jaar naar Afrika is vertrokken om daar foto’s voor National Geographic te maken.

Om onduidelijke reden (te veel vertrouwen in hun liefde of juist te weinig) hebben beiden afgesproken elkaar gedurende deze periode te schrijven noch te bellen. Een gebrek aan contact en houvast dat Bertrand opbreekt: in zijn ‘impasse’ valt hij in handen van een plotseling opgedoken jeugdvriend, die hem meeneemt naar Bulgarije om er een voorstelling van de tragedie Oedipus te Colonus te regisseren.

Op zichzelf zijn de gegevens bizar; wat er met deze Bertrand gebeurt zal iemand niet gauw overkomen. Maar binnen de literatuur is het veel minder ongehoord. Mik is bepaald niet de eerste schrijver die zijn personages uit hun vertrouwde omgeving tilt teneinde ze in een vreemde wereld te confronteren met zichzelf en met hun verleden. Dat verleden neemt de gestalte aan van jeugdvriend Bob en van Bertrands vroegere buurmeisje Carina. Zij woont in Sofia als diplomatenvrouw en blijkt bereid de rol van Antigone op zich te nemen.

Suggestie

De vreemde omgeving verhoogt de druk, men is de hele tijd op elkaar aangewezen, al lopen er ook een paar Bulgaren door het verhaal, en daardoor kan het verleden weer even herleven. Uiteraard met noodlottig resultaat. Hoewel Bertrand het zich amper kan herinneren, moet zich tussen Bob, Carina en hemzelf ooit iets dramatisch hebben voorgedaan, iets met verliefdheid, jaloezie en verraad. Juist de onzekerheid van de toedracht laat alle ruimte voor suggestie: misschien heeft Bob alles verzonnen, misschien heeft Bertrand alles verdrongen. Zeker is in elk geval dat het opvoeren van Sophocles’ tragedie voor Bob een kans betekent om alsnog alles goed te maken of – minder nobel – eindelijk revanche te nemen. Het zou tevens zijn laatste kans zijn; hij beweert namelijk aan een dodelijke ziekte te lijden en niet lang meer te leven te hebben.

Of het allemaal waar is – wie zal het zeggen. De ziekte wordt niet eens benoemd en Bob, met zijn reusachtige lijf en zijn kleine kogelronde hoofd, ontpopt zich als een ongemakkelijke mengeling van dreiging en jovialiteit. Ook hier domineert de suggestie, al laat Mik er geen twijfel over bestaan dat Bob als het erop aankomt niet terugschrikt voor moord en doodslag. Waarom? Daar kan Bertrand alleen maar naar gissen en de lezer met hem. Het hele relaas krijgen we van hém te horen, en hij beweegt zich als een soort slaapwandelaar door zijn eigen leven, ten prooi aan driften die hij zelf nauwelijks begrijpt.

Mik heeft Bertrands relaas (gegoten in de vorm van een brief aan de afwezige Anna, met wie Bertrand een nieuwe start hoopt te maken door haar alles te bekennen, overspel incluis) bewust vaag gehouden, een geheel met rafelranden en onscherpe contouren, en hoe je ook je best doet, veel meer valt er niet van te maken. Diepte ontbreekt. Diepte ontstaat immers door complexiteit, niet door stukjes van de puzzel achter te houden. Pas wanneer je alle gegevens in handen hebt en toch niet helemaal kunt vatten hoe het zit, kan een verhaal diepte krijgen, een surplus aan betekenis dat zich niet meer in andere woorden laat navertellen.

In Bleke hemel is dat niet het geval. Ook het gebruik van Oedipus te Colonus brengt daar geen verandering in. Vanzelfsprekend zijn er overeenkomsten tussen de roman met zijn noodlottige afloop en de tragedie. De al dan niet ten dode opgeschreven Bob heeft veel van Oedipus en dat Carina in haar verlangen om de gedode ‘vrouwenverslinder’ Alec een fatsoenlijke begrafenis te bezorgen ook in het echt op Antigone lijkt (zij het meer die uit de naar háár vernoemde tragedie dan uit Oedipus te Colonus), kan niemand ontgaan. De vraag blijft alleen: wat voegt het toe aan de betekenis van het geheel?

Raadselachtig

Daarbij komt dat ook dit al heel vaak is gedaan, zo niet met een klassieke tragedie, dan wel met een blijspel van Shakespeare of met een antiek epos. De toegankelijkheid heeft bij nader inzien veel te maken met de sjabloonachtige aard van het verhaal.

Toch heb ik Bleke hemel niet tot mijn verdriet gelezen. Want wat de roman ontbeert aan betekenis, heeft hij aan sfeer. Een kwaliteit die bijna net zo ongrijpbaar is als de allesdoordringende ‘bleekheid’ in het Piringebergte. Maar de oorsprong ervan laat zich minder lastig aanwijzen: die zit in het stilistisch vernuft van Edzard Mik.

Zijn boek mag in hoge mate voorspelbaar zijn, het is wel heel goed geschreven en staat vol met verrassende beelden en metaforen. Carina die het toneelproject ‘met goudstof bepoederde’, boomstammen die ‘wreed’ rijzen ‘in een volstrekt weten’, een vrouw ‘met een gezicht als een verloren hemellichaam’ – dat klinkt allemaal uitstekend, raadselachtig en toch expressief. Vraag me niet wat het precies betekent, maar dankzij zulke beelden komt over het geheel een patina te liggen dat op ingetogen wijze glanst en flonkert. Zo weet Mik zijn lezer in te palmen, met flair en allure, en in een stijl waaraan je de soms onmiskenbare zelfverliefdheid graag vergeeft.

Slechts één nadeel blijft. Bij gebrek aan een verhaal dat zich met karaktervolle klauwen in het geheugen vasthaakt, is het gevaar niet denkbeeldig dat je na afloop alles ook weer even zo makkelijk vergeet.