Duik niet weg achter de dijken

Managers en politici hebben niet in de gaten wat de economische uitdagingen van deze tijd zijn. In plaats van zich naar binnen te keren, moeten ze open staan naar buiten, menen Steven Brakman en Arjen van Witteloostuijn.

Het nieuwe kabinet vertrekt met een krachtige rugwind. Volgens verwachting is de conjunctuur in de loop van de vorige kabinetsperiode aangetrokken. Als het kabinet vier jaar blijft zitten, zal volgens verwachting de conjunctuur aan het einde van de electorale rit een minder rooskleurig beeld te zien geven.

De moderne democratie heeft altijd met deze economische cyclus te maken gehad. De psychologie leert dat positieve ontwikkelingen worden toegeschreven aan eigen initiatief en inzicht en negatieve ontwikkelingen aan externe factoren die onvermijdelijk zijn.

Bij externe factoren wordt tegenwoordig meestal aan de opkomst van China en India gedacht. Twee economische giganten, met één dominant economisch kenmerk: lage lonen. Onder druk van deze landen kan het niet anders dan dat de werkloosheid op langere termijn weer gaat toenemen. Althans, dat is de communis opinio. De reactie op vermeende gevaren van buiten is vaak om er met de rug naar toe te gaan staan. Denk aan de Nederlandse afwijzing van de Europese ‘grondwet’ of aan de voortslepende onderhandelingen over de internationale handel binnen de WTO.

China en India vormen gelukkig slechts een beperkte dreiging. De groei in China en India is per saldo gunstig voor rijke landen als Nederland. Immers: de vraag uit deze landen neemt toe, en de uitbesteding van banen naar deze landen is relatief beperkt ten opzichte van het totaal aan buitenlandse investeringen. De meeste buitenlandse investeringen vinden plaats tussen de rijke landen onderling, omdat juist daar interessante markten worden aangetroffen. De echte uitdaging, of zo men wil dreiging, is een nieuwe vorm van globalisering.

Het grote voordeel van internationale handel is internationale arbeidsverdeling. Elke consument kan goederen consumeren die in het buitenland zijn geproduceerd en niet om de hoek. Dit is hét kenmerk van de grote industriële revolutie die de wereldeconomie in de 18de en 19de eeuw fundamenteel van karakter heeft veranderd. Landen die hieraan meededen, zagen hun inkomen navenant stijgen.

De huidige globaliseringsgolf is anders van karakter – en niet zozeer anders van omvang. Niet alleen zijn productie en consumptie geografisch gescheiden, maar het productieproces zelf is niet langer geografisch geconcentreerd.

Bedrijven nemen steeds meer de vorm aan van ‘productienetwerken’, waarbij financiële diensten, marketing, assemblage, distributie – kortom: alle stappen in het productieproces – geografisch losgekoppeld zijn.

Wat betekent deze nieuwe industriële revolutie voor de moderne manager of een nieuw kabinet? Organisatievormen zullen complexer worden. Het standaard hiërarchiemodel werkt in dergelijke mondiale netwerkstructuren niet, omdat afdelingen hier met complementaire afdelingen in het buitenland moeten samenwerken. Managers van de oude stempel worden in een dergelijke context als overbodig ervaren. Omdat de ouderwetse manager de greep op het productieproces dreigt te verliezen, zoekt hij steeds vaker zijn toevlucht in de verdere uitbouw van bureaucratieën. Met behulp van extra regelgeving, gedetailleerde productiekengetallen, fijnmazige financiële doelen, vuistdikke protocollen en uitgebreide rapportageverplichting, doet hij een vergeefse poging controle te krijgen op de complexe – vaak mondiale – netwerken.

Hierdoor ontstaat in het beste geval een naar binnengekeerde organisatie, en in het slechtste een hiërarchische dictatuur. Een moderne organisatievorm zou juist de andere kant op moet bewegen. Niet centralisatie is het antwoord op de moderne uitdagingen, maar decentralisatie. Bureaucratieën moeten juist worden ontmanteld, niet uitgebouwd. De norm moet professionele autonomie zijn, niet dirigistische autocratie. Gestold wantrouwen zou plaats moeten maken voor vertrouwen. Helaas: het moderne grootbedrijf beweegt vaak juist de andere kant op.

Een dergelijk risico bestaat ook in de politiek. De verkiezingscampagne was sterk naar binnen gekeerd. Over Europa, over grensoverschrijdende milieuproblemen of over de in het slop zittende onderhandelingen bij de WTO werd opvallend weinig gediscussieerd. Ook de praktijk van het overheidsbeleid bestaat uit voortdurende pogingen zekerheden te scheppen waar die niet (kunnen) bestaan. De samenleving wordt dichtgeplamuurd met regel- en wetgeving die de suggestie wekken dat alles onder controle is. Daar vraagt de moderne burger ook om: de uitbanning van risico en onzekerheid. Als deze burger toch het slachtoffer wordt van tegenspoed, is de pavlovreactie om de buitenwereld – en dan liefst de overheid – daarvan de schuld te geven. Daarom leidt elk incident tot Haagse paniek die razendsnel wordt omgezet in nieuw beleid. De nieuwe industriële revolutie gaat gepaard met nieuwe onzekerheden.

Wat moet het antwoord zijn van het kabinet op de mondialisering van productienetwerken? Het standaardrecept is het flink opschroeven van de investeringen in het onderwijs. Dit recept is echter als algemeen principe te grofmazig. Het simpelweg vergroten van de kennis is geen oplossing om onzekerheid weg te nemen op een arbeidsmarkt die steeds vaker aan vreemde invloeden blootstaat.

Het is niet langer zo dat alleen of vooral laaggeschoolde banen worden bedreigd, zodat via scholing de moderne werknemer kan doorstromen naar het veilige hooggeschoolde segment van de arbeidsmarkt. Meer en meer staan immers ook banen ter discussie die als hooggeschoold te boek staan.

Het voorbeeld van ICT-deskundigen staat hiervoor symbool. Ook hun werk kan en wordt in toenemende mate naar het goedkope buitenland overgeheveld, met Bangalore in India als boegbeeld. Als werk verplaatsbaar is – bijvoorbeeld met behulp van een computer kan worden verricht en redelijk gestandaardiseerd is – kan het ook in het buitenland geschieden. Moderne ondernemingen zullen niet aarzelen dat te doen als dat winstgevender is.

Bij arbeidsmarktmaatregelen zouden in feite drie ‘groepen’ van banen moeten worden onderscheiden: niet-verplaatsbare banen (verpleegsters bijvoorbeeld), en hooggeschoold en locatiegebonden werk (ministers bijvoorbeeld). Voor deze twee klassen is het oude recept van meer scholing om de productiviteit te verhogen goed.

Hier tussenin zit een derde categorie. Dit zijn verplaatsbare banen die met een computer kunnen worden verricht en niet locatiegebonden zijn. (Röntgenologen bijvoorbeeld. Een van hen merkte eens op: „Plaatjes kijken kan overal.”). Deze derde categorie is een amorfe verzameling van hoog- en laaggeschoolde arbeid door elkaar heen. Ook voor deze groep is scholing om de productiviteit te verhogen natuurlijk onontbeerlijk.

Maar daarnaast zal moeten worden geïnvesteerd in de kwaliteit van Nederland als vestigingsland. Dan is de kwaliteit van de infrastructuur, de efficiency van de overheid, het openstaan voor buitenlandse invloeden, de diversiteit van bedrijven, de aanwezigheid van hoofdkantoren, maar ook het volwaardig deelnemen aan de Europese Unie essentieel.

Steven Brakman en Arjen van Witteloostuijn zijn als hoogleraar economie verbonden aan de Rijksuniversiteit Groningen respectievelijk de Universiteit van Antwerpen.