De puinhopen van Paars revisited

Fortuyn noemde het een puinhoop: het faillissement van de publieke sector.

Eenzelfde puinhoop dreigt, terwijl de PvdA beter had moeten weten.

Het kabinet is beëdigd. De formatie die daaraan voorafging, is zeer voorspoedig verlopen. De deelnemers schrijven hun snelle succes toe aan de rust waarin ze het overleg hebben kunnen voeren, alsook aan de wijze waarop ze hun besprekingen hebben ingericht. Door eerst overeenstemming te verkrijgen over de grote vragen waar de Nederlandse samenleving in de komende jaren voor gesteld wordt, waren ze beter in staat hun politieke tegenstellingen te overbruggen, zo stellen zij. Die zienswijze past bij het motto dat de coalitie gekozen heeft: samen leven, samen werken. In de formatie, zo is de suggestie, hebben de coalitiepartners er zelf al een voorschot op genomen: als zij het geklaard hebben, waarom de samenleving dan niet?

Deze enscenering draagt onmiskenbaar de signatuur van het CDA zoals dat zich de laatste jaren onder Balkenende heeft ontwikkeld: het stelt zich bepalend op ten aanzien van de politieke agenda, de koers van het beleid en de presentatie ervan. Zo ook tijdens deze formatie. Anders dan in 2003 heeft het CDA nu zonder bijgedachten zijn zinnen op de PvdA als coalitiepartner gezet. Die opstelling is heel begrijpelijk. Voor het CDA heeft de nieuwe coalitie een raison, namelijk met steun van de PvdA het oppoetsen van zijn sociale gezicht dat de afgelopen regeringsperiode wel heel minnetjes was geworden. Na verloop van tijd is het CDA ervan overtuigd geraakt dat de maatschappelijke slingerbeweging de andere kant uit wijst: het marktindividualisme moet nu wijken voor het ‘wij-gevoel’ van de publieke voorzieningen. Vandaar de keuze voor de PvdA.

Als door het binnenhalen van de ChristenUnie (CU) dan ook nog het christelijk karakter aangezet zou kunnen worden, was voor het CDA de perfect match voltooid.

Ook voor de CU is de raison voor regeringsdeelname duidelijk: te laten zien dat ze niet langer louter getuigenispartij is, maar als machtsfactor ook het verschil kan maken, zowel in sociaal als in ethisch opzicht.

Wat de PvdA bewogen heeft zo in deze coalitie te stappen, is minder duidelijk. De opstelling van Bos is wel heel tegemoetkomend geweest. Dat ligt niet alleen aan Bos: de PvdA heeft een reputatie hoog te houden als het erom gaat om in een kabinet te stappen zonder daarbij veel oog te hebben voor de risico’s. Max van Weezel en Michiel Zonneveld hebben in De Onttovering van Paars (2002) overtuigend laten zien hoe de PvdA er tijdens de formatie van 1998 vanaf heeft gezien zich te profileren uit angst dat die opstelling de formatie in gevaar zou brengen. Regeren ging de PvdA boven alles. Niet alle malheur waarmee de toen gevormde coalitie in de loop der jaren (1998-2002) te maken kreeg was voorspelbaar. Maar het gevaar dat bij een aanhoudende hoogconjunctuur de private sector de publieke sector zou kunnen uitdrijven, was toen wel te voorzien. De gevolgen daarvan zijn als ‘de puinhopen van Paars’ (Fortuyn) de geschiedenis in gegaan. De overheid, zo stelde Fortuyn, heeft doorgaans de mond vol over de bedrijvensector – waar ze niet over gaat. Diezelfde overheid laat het wat betreft de collectieve sector – waar ze wél over gaat – er juist bij zitten.

Ook in het huidige regeerakkoord worden aan de problematiek van inrichting en functionering van de publieke sector weinig woorden besteed, terwijl het prestatievermogen ervan heel wel de achilleshiel van dit kabinet kan gaan worden. Het is waar dat voor de publieke sector meer geld is uitgetrokken, maar dat geeft geen antwoord op de arbeidsmarktproblematiek waar deze sector mee te maken krijgt.

De werkloosheid heeft de lonen in de achterliggende jaren in bedwang gehouden, maar die maken een inhaalslag als de conjunctuur gunstig blijft. Krapte op de arbeidsmarkt is dan het gevolg. De baanzekerheid die de publieke sector in tijden van werkloosheid aantrekkelijk maakt, verliest in tijden van krapte zijn glans; de zuigkracht van de private sector wordt moeilijker te weerstaan. Vacatures in de publieke sector lopen op, evenals het ziekteverzuim, terwijl de arbeidsinzet afneemt. Het gemiddelde loon in de publieke sector stijgt snel, terwijl het prestatievermogen afneemt.

Veel, zo niet alle, perikelen waar Paars II de nek over gebroken heeft, waren hierop terug te voeren. En ze dreigen ook nu weer een spaak in het wiel te steken. In de bejaardenzorg zijn ze al aanwijsbaar. Als de hoogconjunctuur aanhoudt, komt het kabinet voor moeilijke keuzes te staan waarin het regeerakkoord niet voorziet. De politieke spanningen zullen oplopen.

De hoogconjunctuur bewerkstelligt bovendien niet alleen een economische maar ook een psychologische omslag, waardoor van het ‘wij-gevoel’ waarin het aantredende kabinet zich koestert, weinig zal overblijven. Onbegrijpelijk dat de PvdA die in 2002 leergeld betaald heeft, zo dit kabinet is ingestapt.

Arie van der Zwan, econoom, is auteur van ‘De uitdaging van het populisme’.

    • Arie van der Zwan