De lome dynamiek van een zwoele zomerdag

Jan van der Heyden: Architectuurfantasie met triomfboog (1660), National Gallery Londen

Tentoonstelling: Brand! Jan van der Heyden, schilder en uitvinder. Rijksmuseum tot 30 april. Catalogus onder redactie van Peter Sutton: €64,–

Het is altijd zomer op de schilderijen van Jan van der Heyden. Ze zijn niet bedoeld als onderdeel van een seizoensvierluik en dienen niet als tegenwicht voor het genre van het wintergezicht. De Amsterdamse schilder zocht gewoon een manier om architectuur en stadstaferelen scherp en sfeervol weer te geven.

Van der Heyden (1637 -1712) is de belangrijkste topografische schilder van het eind van de 17de eeuw. Het Rijksmuseum wijdt nu gelukkig een tentoonstelling aan hem – helaas gaat het om een uitkleedde versie (veertien schilderijen) van een veel grotere tentoonstelling in het Bruce Museum in het Amerikaanse Greenwich.

Van der Heydens werk is herkenbaar aan zijn precisie en aan die warme zomerse sfeer. Gevels, bruggen, kademuren, plaveisel; ze zijn gedetailleerd weergegeven. De manier waarop hij baksteen schilderde, werd al in zijn eigen tijd bewonderd. Subtiel schilderde hij ook figuren in het straatbeeld. Hun acties (wandelen, een begroeting, het voortsjokken van een paard) verlenen de schilderijen een lome dynamiek.

Op enkele herkenbare plaatsen, zoals de Dam in Amsterdam, heeft hij een hoge mate van realisme bereikt. Daarbij maakte hij gebruik van perspectivische technieken, die hem geobsedeerd moeten hebben. De ene keer paste hij de wetten van het perspectief feilloos toe, een andere keer experimenteerde hij ermee. Dan brak hij met de regels en zie je niet direct een eenduidig opgebouwde compositie, maar een voorstelling waarin het oog steeds naar andere verdwijnpunten wordt getrokken.

Van der Heyden kon ook heel goed illusies verkopen: composities van paleizen, kerken, woonhuizen, pleinen, ruïnes ontsproten aan zijn fantasie, terwijl de afzonderlijke onderdelen wel degelijk teruggingen op bestaande architectuur. Hij manipuleerde, anders gezegd, met een aantal zetstukken. Stadselementen van onder meer Keulen, Düsseldorf en Veere combineerde hij tot imaginaire stadsgezichten. Vooral daarin lijkt Van der Heyden, meer dan in zijn realistische schilderijen, een boodschap te leggen. We zien nogal eens classicistische bouwwerken, buitenplaatsen of paleizen, terwijl er elders op het tafereel een veel ouder, doorgaans gothisch bouwwerk staat. Modern versus oud, nieuwbouw versus verval.

Ook het verhevene versus het alledaagse valt geregeld te bespeuren. Op een schilderij uit de National Gallery te Washington baadt een classicistische buitenplaats in het zonlicht. Maar buiten de poort wacht het alledaagse leven in de persoon van een bedelares. En als waarschuwing liggen er een paar ruïneuze marmeren steenblokken op de voorgrond.

Jan van der Heyden bezat ook een groot praktisch vernuft. Hij ontwierp onder andere een nieuw model lantaarnpaal, dat in Amsterdam in gebruik werd genomen. De uitvinder kreeg dan ook een ruim bezoldigde baan als opzichter van de stadsverlichting. Ook ontwierp hij samen met zijn broer de brandslang – niet lang daarna werd hij brandweercommandant. Hij stierf als een welgesteld man.

Twee boeken stelde hij samen, een over de straatlantaarn en later het meer bekende Slang-Brand-spuitenboek uit 1690. Van de voortekeningen voor dit rijk geïllustreerde boek is op de tentoonstelling ook een selectie te zien. Van der Heyden heeft goed gekeken naar de werking en de effecten van branden. Als vijftienjarige had hij al de vernietigende brand van het Amsterdamse stadhuis meegemaakt. Bij het aanschouwen van de verkoolde resten daarvan en van vele Amsterdamse panden op latere leeftijd zal menig vanitasgedachte door zijn hoofd hebben gespookt.