Busken Huet in bed

‘Openbaringen’ is ....

Ik las dat binnenkort een biografie van Busken Huet verschijnt – ‘de eerste grote’, kondigde de uitgever aan. Ik weet natuurlijk niet hoe groot de nieuwe wordt, maar de eerste is ze in ieder geval niet. De eerste, die niet meteen klein was (234 bladzijden), verscheen bij mijn weten in 1944 en was geschreven door Gerben Colmjon, een intussen enigszins vergeten neerlandicus die in de jaren veertig en vijftig van de vorige eeuw het een en ander publiceerde over de Tachtigers en hun onmiddellijke voorgangers. Zijn onberispelijke boek over Huet kwam uit bij de tamelijk berispelijke uitgeverij Oceanus, die in 1941 was opgericht, en die probeerde te verzwijgen dat ze nauw gelieerd was aan een nationaal-socialistische firma in Berlijn. Ze gaf werk uit van onder anderen Boutens, Van Deyssel, Van Oudshoorn en Werumeus Buning. Als Colmjon in die jaren misschien een beetje fout is geweest, bevond hij zich in goed gezelschap.

Busken Huet kende ik in die dagen letterlijk alleen nog maar van afstand. In de kast van mijn grootvader glinsterden achter glas de vergulde ruggetjes van vijfentwintig delen Litterarische fantasien en kritieken, en als je je neus tegen de ruit drukte kon je de namen lezen van alle hele en halve letterkundige beroemdheden die de schrijver in zijn betrekkelijk korte leven – hij werd niet ouder dan zestig – allemaal had gelezen en beoordeeld: van Tollens, Beets, Van Maurik, Ten Brink en Van Lennep, tot aan Byron, Goethe, Voltaire en George Sand. Allemaal mensen van wie ik dacht dat het me geraden was die op een dag ook allemaal gelezen te hebben.

Later erfde ik alle ruggetjes van mijn vader die ze van zijn vader had geërfd, en tot op deze dag neem ik af en toe een deeltje mee naar bed. Niet om er bij in slaap te vallen, maar om er met aandacht in te lezen. In het begin was dat een beetje wennen. Het vraagt enige inspanning om achter de formele, quasi-deftige strijkages van Huets taalgebruik (liefst nooit buiten de conventies) de ironie, de intellectuele scepsis en het feilloze gevoel voor kwaliteit te ontdekken dat hem nogal uniek maakte in het literaire klimaat van de 19de eeuw. Maar zijn pen is altijd een beetje stroef blijven bewegen. Hij was geen Multatuli.

Honderd jaar later schreef W.F. Hermans, toen hij in De raadselachtige Multatuli aan een korte introductie van tijdgenoot Huet toe was: ‘Conrad Busken Huet (1826-1886), een afvallige dominee van de Waalse Kerk, in de journalistiek gegaan en hoofdredacteur geworden van de Opregte Haarlemsche Courant, is de kampioen-overschrijver van dat tijdperk. Hij wordt nu niet meer gelezen, al schreef hij minder saai dan de meesten van zijn tijdgenoten, doordat hij de Franse criticus imiteerde. In kleine kring ging hij door voor een man die zijn tijd ver vooruit was en tot een jaar of veertig geleden werd op de Nederlandse scholen nog gedoceerd dat hij en zijn vriend Potgieter even belangrijk, zo niet belangrijker en in elk geval veel ernstiger waren dan Multatuli.’

Rare alinea. Eerst de vergissing dat Huet hoofdredacteur van de Haarlemmer zou zijn geworden. De familie Enschedé had hem zien aankomen! ‘De Enschedé’s behandelen mij bij toeneming als een bediende’, klaagde hij zijn nood bij vriend Potgieter. Dan de schimpscheut over de kampioen-overschrijver – al eerder als karakteristiek gebruikt voor (Nederlandse) esseejisten die ‘andermans boeken navertellen zonder namen te noemen’. Vervolgens de ongegronde bewering dat leraren Huet en Potgieter hoger aansloegen dan Multatuli (dat deden ze toch niet op het Barlaeus Gymnasium?). En tenslotte de veronderstelling dat ik de Litterarische fantasien en kritieken niet meer zou lezen.

Er zat natuurlijk iets eigenaardigs in de relatie tussen Huet en Multatuli. Waarom heeft Huet bijvoorbeeld niet meteen in 1860 Max Havelaar besproken?

Hij heeft later in de jaren zestig Douwes Dekker wel aan het merkwaardige correspondentenbaantje bij de Haarlemse Courant geholpen, maar in de beperkte briefwisseling uit die periode toont hij – op Multatuli’s neiging om de hele krant met artikelen uit Koblenz te willen volschrijven – eerder angsthazengedrag dan fidele solidariteit met een kunstbroeder. Hij háátte de Enschedés misschien wel, maar hij vreesde ze nog meer. Zoals veel bediendes hun patroons plegen te vrezen.

Toen hij in 1868 toch hoofdredacteur was geworden, zij het niet in Haarlem maar op Java, is er nog kort briefcontact geweest, maar een poosje later komt uit dat de gevierde criticus-auteur (‘A propos, wat zegt gij van Lidewijde?’, heeft hij nog terloops aan Multatuli gevraagd zonder antwoord te krijgen; Multatuli vond het een draak) zich voor wederdiensten aan de (conservatieve) regering in Den Haag heeft laten betalen. En dan is het uit met de vriendschap.

In zijn correspondentie met Potgieter blijkt Huet daarna niet afkerig van praatjes over vermeende buitenechtelijkheden van mevrouw Douwes Dekker (de edele Tine), die regelrecht afkomstig waren uit het verveelde Bataviase roddelcircuit. Multatuli op zijn beurt was een stuk royaler toen hij (in Idee 1197a) de in druk verschijnende Litterarische fantasien en kritieken prees, en meteen ook een zeker mededogen met de auteur aan de dag legde: ‘Onder de Litterarische Fantasieën zijn kunstjuweeltjes, waarby ’t overgroot deel der verhandelde werken diep wegzinkt. Zó zelfs dat men betreuren moet, Huets critisch talent besteed te zien aan zaken die zoveel ingespannen studie geenszins verdienen (Zie, bijv. het stuk over den rymelaar Poot)’

Een haarscherpe observatie natuurlijk. Toevallig las ik deze week (in bed) nog eens het dertig bladzijden lange opstel over Jacob Cats naar aanleiding van maar liefst drie nieuwe (volks)uitgaven van het verzameld werk rond 1860. En daar las ik, klaarwakker, nog de volgende parel voor de zwijnen: ‘Cats heeft een wawelend en geniepig volk van ons gemaakt, heeft onzen smaak bedorven, heeft onzen kunstzin uitgedoofd, heeft geen hoogere eerzucht bij ons gewekt dan om, met Gods naam op de lippen en eene aalmoes in de uitgestrekte hand, te sterven als millionair’.

De ‘eerste grote’ biografie die er aan komt is geschreven door Olf Praamstra, een man die al sinds jaar en dag met grote consciëntie teksten van Huet, diverse bloemlezingen van zijn kritieken, en delen uit zijn correspondenties heeft bezorgd.

Ik ben benieuwd.