Altijd een stralende dag

Voor filmmaker Fons Rademakers was de dood ondenkbaar. Gisteren overleed hij. Journalist Jan Blokker was zijn vriend en schreef een scenario met hem. Een herinnering.

Geen twee dingen die zo met elkaar in strijd waren als Fons Rademakers en de dood. Alles in en aan hem was ingesteld op leven. Of het nou om acteren ging, om films maken, om reizen, om vriendschappen of om eten – alles voltrok zich altijd gretig, met behagen, uit vitaliteit, in warmte en vaak met een soort zielsgenoegen dat je ervan af zag stralen. Dood was er nooit.

In een van de eerste herinneringen waarin hij voorkomt – maar van iemand die je dierbaar is heb je het gevoel dat hij er eigenlijk altijd al wàs– liepen we op een late Amsterdamse avond van een bioscoop naar de Nieuwe Zijds Voorburgwal, waar ik nog iets moest ophalen op de kunstredactie van het oude Algemeen Handelsblad. Het zal tegen het eind van de jaren vijftig van de vorige eeuw zijn geweest. De film Dorp aan de rivier was bijna klaar.

Via de achterportier aan het Bordewijkiaanse Keizerrijk leidde ik Fons door het doolhof van gangen, tussentrapjes, entresols, en het beetje voorname marmer dat er van vroeger over was, tot aan de merkwaardige stenen en houten aanbouwsels van wat toen bij mekaar de directie, de redactie, de zetterij én de drukkerij herbergde van de ooit zo eerbiedwaardige krant. In de laatste ruimte vóór de ‘Kunst’ was Documentatie gevestigd, en ik wilde Fons op een aanschouwelijke manier het journalistieke nut van dat onmisbare instituut demonstreren.

„Stel”, zei ik, „ík word morgenochtend uit m’n bed gebeld met de boodschap dat jij plotseling bent overleden.”

Hij gaf geen krimp.

„Dan probeer ik om te beginnen natuurlijk van het corvee af te komen”, vervolgde ik. „Ik zeg dat jij je hele leven acteur en regisseur bij het theater bent geweest, dat je dus onder de toneelredacteur valt, en dat ik me trouwens grieperig voel en een beetje verhoging heb. Lang op en neer gezeur. Jij was sinds kort toch juist overgestapt naar de cinema, de première van je eerste film zat er toch net aan te komen, en ik was toch de filmredacteur? Het eindigt er mee dat ik een uur later slaperig en met de pest in m’n lijf Documentatie binnenloop en aan één van de meisjes vraag of ik de map-Rademakers even mee kan krijgen.”

En ik trok bij de R zo’n loodzware stalen archiefbak open, haalde Fons eruit, en liet hem de verzameling knipsels zien waarin als het ware de hele toneelcarrière tot aan z’n laatste optreden opgebaard lag, plus nog het recente nieuws dat hij na assistentschappen bij Vittorio de Sica en Jean Renoir (fotootjes) binnenkort zou debuteren met een eigen film, naar een roman van Anton Coolen.

Terwijl ik de bundel oud krantenpapier onder z’n neus hield , zei ik: „En dan ga ik je necrologie tikken.”

Echt leuk vond hij het niet, zag ik. Hij bladerde even door z’n eigen knipsels, gaf me de map terug, en riep uit de grond van z’n toneelspelershart: „Gàtverdàmme!”

De dood was ondenkbaar.

De dood is altijd ondenkbaar geweest. Of hij nou op zijn etage in de Beethovenstraat bezig was aan ons scenario van Makkers staakt uw wild geraas, of later door de stad reed op zoek naar de meest saillante locaties, of ik zag hem, nog weer een poosje later, samen met Lili – de verovering van zijn leven – aan het storyboard werken – hij leidde een leven waarin het na een nachtje slapen altijd weer een stralende dag beloofde te worden.

In 1966 reden we, twee families in twee caravans, naar Zweden om over een script te praten. We moesten altijd over een script praten. De eerste nacht in Duitsland konden we geen camping vinden, dus we zetten de tenten op in een bos, dat later een oefenterrein bleek. De volgende ochtend zag ik hem – wat tankgeschut in de verte – in een sjieke fluwelen ochtendjas een decente plek zoeken: een rol closetpapier in de ene hand, een schep in de andere. „Je meedelen aan de natuur, jongen”, verzekerde hij, „dat is het mooiste wat er is.”

Ontzettend veel dingen die Fons beleefde waren de mooiste dingen die er waren. Hij heeft ook altijd om de hoek gewoond van het lekkerste visrestaurant van Europa, of de door niets en niemand overtroffen slager van Frankrijk. Rome, recht tegenover het Pantheon. Collevecchio, met het uitzicht op de villa van Allesandro Nesta („de àllerbeste verdediger van Italië”), Thoiry met de bekoorlijk ingerichte werkkamer vanwaar hij als het niet mistte op de sneeuw van de Mont Blanc kon kijken.

Het emfyseem hinderde, maar hij liet zich vooralsnog niet kisten. Het leven was toch veel te gezellig?

„Het zàl wel niet”, vermoedde hij op z’n vijfentachtigste, „maar het zou toch kunnen dat ik de enige en de eerste ben die de dans ontspringt?”

Zes weken geleden zagen we mekaar voor het laatst. Hij lag in een kliniek bij Genève, en ik zei nog: „Je gaat verdomme toch niet dood? Daar ligt Fons, daar ligt helemaal geen stervende man.”

Maar hij had het opgegeven. Al die draden en slangen en zorgzame verpleegsters pasten ook niet bij hem. „Wat lief dat je bent gekomen”, zei hij. Wat gezèllig!” Hij heeft het nog een paar weken thuis geprobeerd, dag en nacht een masker voor, tot weinig of niets meer in staat.

Bij z’n volle verstand heeft hij tenslotte hulp gevraagd. Godzijdank heeft hij hulp gekregen.