Minister grijpt in bij Eigen Haard

Minister Winsemius (Volkshuisvesting, VVD) heeft op zijn laatste werkdag een toezichthouder aangesteld bij de woningbouwvereniging Eigen Haard in Velsen. Hij meldt dat in een brief aan de Tweede Kamer.

De harde ingreep is volgens Winsemius noodzakelijk omdat de situatie bij de woningbouwvereniging door de recente benoeming van toezichthouder H. Vinken tot directeur „strijdig is met het volkshuisvestelijk belang”. De scheiding tussen bestuur en toezicht is hierdoor „onder druk komen te staan”, vindt de minister. Begin januari zag hij nog geen reden om in te grijpen.

Vinken werd op 1 december vorig jaar bij de algemene woningbouwvereniging benoemd tot directeur. Dit gebeurde tegen het advies van de minister van VROM en tegen de zin van de ondernemingsraad. De corporatie is een van de kleinere in het land, met 15 personeelsleden en een bestand van iets meer dan 1600 woningen.

De benoeming van Vinken leidde tot grote opwinding onder de huurders, in de gemeenteraad, maar ook bij de koepelorganisatie Aedes. De laatste stelde een commissie aan om de kwestie te onderzoeken. Het oordeel luidde dat Eigen Haard „het imago van de bedrijfstak sterk heeft geschaad”.

In de raadszaal van Velsen vertelden medewerkers van de woningcorporatie begin januari dat er sprake was van vriendjespolitiek, en dat de nieuwe directeur een schrikbewind voerde. Hij zou over het personeel hebben gezegd: „Ik lust ze rauw”. Het personeel vindt ook dat de integriteit van de directeur ter discussie staat omdat hij in 2004 oneervol werd ontslagen bij de gemeente Hoorn. Op zijn beurt liet Vinken aan de raad weten dat er een hetze tegen hem werd gevoerd.

De ondernemingsraad van Eigen Haard, zegt A. Metten over de ingreep van Winsemius, „betreurt het zeer dat het zover moest komen. Er zijn alleen maar verliezers”. Wie de toezichthouder wordt, was nog niet bekend. De directie was niet bereikbaar voor commentaar.

Winsemius schrijft aan de Tweede Kamer dat de nieuwe toezichthouder binnen een maand rapport aan hem moet uitbrengen en moet nagaan op welke wijze „tot genormaliseerde werkverhoudingen kan worden gekomen, zowel intern als extern”.