Meester Moszkowicz, u ziet ’t echt verkeerd

Advocaat Bram Moszkowicz verloor vorige week het kort geding tegen Jort Kelder.

De voorzieningenrechter heeft in de zaak een volledig begrijpelijk oordeel geveld.

Op 16 februari verloor advocaat Bram Moszkowicz op alle punten het kort geding dat hij tegen Jort Kelder, hoofdredacteur van zakenblad Quote, had aangespannen. De advocaat wilde dat de journalist ophield met de beledigingen en valse beschuldigingen aan zijn adres. Kelder had hem onder andere „beroepsleugenaar” en „maffiamaatje” genoemd. Rechter Poelmann oordeelde echter dat Kelder geen onrechtmatige uitlatingen jegens Moszkowicz had gedaan.

Het vonnis zorgde voor veel ophef. In nrc.next (20 februari) bijvoorbeeld werd in het artikel ‘Wat hij zei, bedoelde en of hij gelijk heeft’ het vonnis als „opmerkelijk” bestempeld. Moszkowicz zelf noemde het oordeel in zijn persconferentie (19 februari) „infaam en abject”, hetgeen hij een dag later in het VARA-programma Pauw en Witteman nog eens ondubbelzinnig onderstreepte. Hierdoor is de indruk gewekt dat de rechter de beschuldigingen van Kelder aan het adres van Moszcowicz onderschrijft. Dat zou echter een onjuiste lezing van het vonnis zijn.

In haar vonnis maakt de rechter een afweging tussen enerzijds het belang van Moszkowicz voor wie de term ‘maffiamaatje’ „diffamerend en […] uiterst schadelijk” is en anderzijds het belang van Kelder „dat hij zich in het openbaar kritisch, informerend, opiniërend, en/of waarschuwend moet kunnen uitlaten ter voorlichting van het publiek omtrent misstanden die de samenleving raken”. De rechter oordeelde in dezen dat „in het toen beschikbare feitenmateriaal, waarvan een deel al in de openbaarheid was gebracht, de door Kelder geuite beschuldiging voldoende steun vond.” Dit baseert Poelmann op de vaststelling van enkele feiten die volgens haar wijzen op een meer dan strikt zakelijke relatie tussen Moszcowicz en zijn cliënten Holleeder en Endstra. De betreffende feiten zijn door Moszkowicz kennelijk niet betwist.

De voorzieningenrechter oordeelt dus níet dat de door Kelder gebruikte termen juist zijn of dat zij deze onderschrijft, zoals wordt gesuggereerd, maar slechts dat Kelder ze niet uit de lucht heeft gegrepen. In dit verband acht de rechter logischerwijs van belang dat voor de beschuldigingen voldoende steun kon worden gevonden in het beschikbare feitenmateriaal.

De uitspraak is dus abject noch opmerkelijk. Het kort geding ging immers over de vraag of er aanleiding is om Kelder te beperken in zijn recht op vrije meningsuiting. Dat de voorzieningenrechter onder meer van belang heeft geacht dat voor de uitlatingen steun kan worden gevonden in andere publicaties en feiten, is begrijpelijk en zegt niets over de juistheid van de uitlatingen van Kelder.

Mr. Moszkowicz valt de voorzieningenrechter dus persoonlijk en onheus aan, wanneer hij haar verwijt zijn naam te hebben „verkwanseld” en krijgt daarbij ten onrechte steun in de berichtgeving over het vonnis. Over de afwegingen van de rechter is best discussie mogelijk, maar het is niet fair haar oordelen toe te schrijven die zij niet heeft geveld.

Menno Heeresma is advocaat in Amsterdam.

Lees het volledige vonnis op www.nrc.nl/binnenland