Leerkracht is te lief bij het schooladvies

Leerkrachten vertonen misplaatste empathie met zwakke leerlingen, zegt socioloog Paul Jungbluth.

De feminisering van het onderwijs is de oorzaak.

Feminisering in het basisonderwijs – steeds meer onderwijzers zijn vrouw – heeft niet alleen nadelige effecten op jongetjes die geen jongensachtig gedrag meer zouden mogen vertonen in de schoolbanken.

Ook de schooladviezen voor vervolgonderwijs pakken lager uit door feminisering, zegt Paul Jungbluth, onderwijssocioloog en voormalig Tweede Kamerlid voor GroenLinks.

Leerkrachten in groep 8, zegt hij, zijn te aardig. Ze vertonen „misplaatste empathie” met zwakkere leerlingen, waardoor deze vaak een lager advies krijgen dan hun scores op de Citotoets zouden rechtvaardigen.

Jungbluth doet deze constatering naar aanleiding van een onderzoek van de gemeente Amsterdam, waaruit blijkt dat allochtone scholieren met havo- of vwo-potentie vaker dan autochtone kinderen een vmbo-advies van hun basisschool krijgen. De Tweede Kamer wil dat de onderwijsinspectie onderzoekt waarom slimme allochtone kinderen in Amsterdam vaker dan hun autochtone leeftijdsgenootjes een lager schooladvies krijgen dan ze op basis van hun Cito-toets verdienen.

Is dat aan de onderwijzers te wijten?

„Leraren hebben een grote invloed op het schooladvies. Het ouderwetse advies aan onderwijzers, dat ze niet te hoge adviezen moesten geven aan leerlingen met een ongunstige thuissituatie, zit nog steeds ingebakken.”

Welke rol speelt de verwachting die leerkrachten op een school van hun leerlingen hebben?

„Die rol is heel groot. Kinderen bij wie alles meezit, krijgen eerder te hoge dan te lage adviezen. Bij leerlingen met een hogere Citoscore dan verwacht treedt het omgekeerde effect op. Leerkrachten vragen zich af: kan hij of zij het wel aan? Die empathie is goedbedoeld, maar misplaatst. Ik noem het ook wel: de feminisering van het onderwijzend personeel. Leerkrachten zijn te bescheiden, te lief. Je moet als onderwijzer niet te veel op je hurken gaan zitten, want daarmee ontneem je kansen aan zwakkere leerlingen.”

U heeft eerder onderzoek gedaan naar sociale ongelijkheid in het basisonderwijs. Kwamen uw bevindingen overeen met de conclusies uit dit Amsterdamse onderzoek?

„Uit mijn onderzoek De ongelijke basisschool bleek dat het hebben van lage verwachtingen van zwakke leerlingen fnuikend is voor een succesvolle schoolcarrière. Ik heb vooral effecten kunnen vinden voor verwachtingen naar aanleiding van het sociale milieu waaruit leerlingen komen, niet zozeer etnische effecten. Maar daar zit overlap in. Het draait om beeldvorming: heeft de onderwijzer een lagere verwachting doordat een leerling van Turkse afkomst is, of doordat hij uit een lagere sociale klasse komt?”

In welk opzicht staan verwachtingen van onderwijzers een succesvolle schoolcarrière in de weg?

„Kinderen uit lagere milieus worden per definitie lager ingeschat, ook al zijn ze even slim als leerlingen uit hogere milieus. Ze krijgen ook eenvoudiger lesstof aangeboden. En als ze ondanks deze hindernissen dezelfde Citoscore halen, krijgen ze een lager advies.”

Wat moet er volgens u gebeuren?

„Een oplossing zou zijn om adviezen uitsluitend op de Citoscore te baseren. Maar het zou ook helpen als leraren zich bewuster zouden worden van hun verwachtingen.”

Lees het onderzoek De ongelijke basisschool van Paul Jungbluth op: www.its-nijmegen.nl/pdf/view.asp?id=176