Kosovo toch maar liever onafhankelijk

De Russische politicoloog Vladislav Inozemtsev heeft ons, burgers van de Europese Unie, een buitengewoon aanbod gedaan. Wij hoeven alleen maar te voorkomen dat de Servische provincie Kosovo onafhankelijk wordt, en Rusland te steunen in zijn strijd voor de onschendbaarheid van alle landsgrenzen. Dan zal Moskou ons helpen „aanspraak [te] maken op een volwaardige plaats op het mondiale politieke toneel’’ (Opiniepagina, 19 februari). Dit voorstel is een slecht idee.

Kosovo was inderdaad in 1999 geen republiek met recht op afscheiding. Maar sinds eind jaren tachtig berustte het Servische bewind in Kosovo meer op een formele grondslag en op repressie dan op realiteit – de Albanezen hadden een parallel belastingstelsel, onderwijs, gezondheidszorg en een eigen arbeidsmarkt.

Inozemtsev heeft gelijk als hij stelt dat onafhankelijkheid voor Kosovo de regio enige tijd zal destabiliseren. Ze zal bovendien een netelig precedent scheppen in een regio waar ook andere minderheden –- Bosnische Serviërs, Macedonische Albanezen – van onafhankelijkheid dromen. En zeker, de kans dat de nieuwe staat een mislukking wordt, is groot.

Maar niet minder ernstig zouden de risico’s zijn van een voortduren van het waanidee dat de Serviërs aanspraken op dit gebied kunnen doen gelden, en zo twee miljoen Kosovaarse Albanezen dwingen deel te blijven uitmaken van het Servische ‘moederland’.

Servië is acht jaar geleden wegens zijn brute optreden niet alleen gebombardeerd, het is ook in een internationaal isolement terechtgekomen, totdat zijn president Milosevic werd afgezet. De massale schendingen van de mensenrechten hebben de aanspraken van Servië ondergraven.

De ware bron van Inozemtsevs zorgen liggen ergens anders: „Ten slotte kan de erkenning van de onafhankelijkheid van Kosovo vraagtekens plaatsen bij de legitimiteit van het optreden van Rusland in Tsjetsjenië’’, schrijft hij. Zowel Kosovo als Tsjetsjenië, aldus Inozemtsev, is illustratief voor de „gemeenschappelijke problemen” van het separatisme waarvoor de EU en Rusland zich gesteld zien. „Anderzijds wil de EU ook niet dat in redelijk rustige landen als Frankrijk en Spanje de problemen in Corsica en Catalonië escaleren.”

Als oplossing voor deze „gemeenschappelijke problemen” stelt Inozemtsev een vierstappenplan voor. Te beginnen met wederzijdse erkenning van de onschendbaarheid van alle grenzen van de EU en de voormalige Sovjet-Unie. Vervolgens zouden Rusland en Europa in de omstreden gebieden, „neutrale consulaten’’ kunnen openen. De ordehandhaving zou worden toevertrouwd aan een gezamenlijke EU-Russische vredesmacht. Die gebieden zouden voor twintig jaar „vredesgaranties” krijgen, „totdat de [...] [nieuwe] grenzen van hun politieke invloed duidelijk geworden zijn’’. Waarmee de politieke glorie van de EU zou zijn gevestigd.

Maar de voorgestelde oplossing is gevaarlijk. Ten eerste berust ze op de valse premisse van de gemeenschappelijke ervaring. Het komt wel voor dat EU-lidstaten zware middelen inzetten tegen separatistische bewegingen binnen hun grenzen. Maar zelfs in de ergste gevallen, zoals in Noord-Ierland, is het optreden niet in de buurt gekomen van de systematische verwoestingen die Moskou in twee militaire campagnes Tsjetsjenië en zijn bevolking heeft aangedaan.

Inozemtsev propageert in zijn voorstel het riskante denken in invloedssferen. Misschien is hij daarmee wel in machtig gezelschap – de Russische president heeft onlangs zijn eigen ‘Poetin-doctrine’ geopenbaard, die rijk is aan Koude-Oorlogsretoriek en die blijk geeft van heimwee naar de machtspolitiek van weleer.

Het aanbod is ook gevaarlijk doordat het op den duur ertoe zou leiden dat conflicten in Zuid-Ossetië, Abchazië en Transnistrië worden bevroren, waarmee de inwoners van die streken worden veroordeeld tot een voortduren van de ongewisheid waarin zij al ruim anderhalf decennium verkeren.

Het zou ook de steun van Rusland aan de afscheidingsbewegingen op het grondgebied van zijn zwakste buurlanden legitimeren; de meeste gebieden die Inozemtsev noemt – maar niet Kosovo – zijn creaties van door Rusland gesteunde separatistische groepen. Hij stelt nu grootmoedig voor de ongelukkige buren van Rusland zogenaamd onschendbare grenzen te gunnen, terwijl de krachtige Russische aanwezigheid zou waarborgen dat zij niet vrijelijk hun bondgenoten kunnen kiezen. De EU zou het voorrecht hebben om mede toezicht te houden op deze regeling en haar zo de legitimiteit te verlenen die zij anders zou ontberen.

Inozemtsevs oplossing zou ook geheel ingaan tegen de verminderde betekenis van de landsgrenzen tussen EU-lidstaten. Wat Inozemtsev er ook van moge denken, de Spaanse en de Franse regering zouden als het erop aankomt hun separatistische provincies liever onafhankelijkheid gunnen dan met behulp van de luchtmacht te proberen ze te behouden.

Dé manier waarop de EU „aanspraak [zou] kunnen maken op een volwaardige plaats op het mondiale politieke toneel” is door ferm op te komen voor haar overtuiging, en het risico te nemen om Kosovo’s autonomie en later waarschijnlijk ook onafhankelijkheid te erkennen. Waarmee ze duidelijk zou maken dat sommige landen uiteindelijk een prijs betalen voor de tanks die ze tegen hun eigen inwoners hebben ingezet. Maar de EU moet dat slim aanpakken, zonder Servië tegen de haren in te strijken, en zo dat Kosovo niet weer een mislukt land of een permanent EU-protectoraat wordt.

Ana Uzelac is politiek analist over mensenrechten en journalist.

Het artikel van Inozemtsev is na te lezen op www.nrc.nl/opinie