Kosmopoliet en zondagskind op elk gebied

In de jaren vijftig was filmen hier documentaires maken. En toen verfilmde Fons Rademakers Dorp aan de rivier. De Nederlandse cinema was een feit.

Acteur en regisseur Fons Rademakers, die gisteravond in een ziekenhuis nabij zijn Franse woonplaats Thoiry overleed, koesterde de verwachting dat de dood hem zou vergeten – dat zou toch kunnen? „Zou ik als enige de dans ontspringen?’’ vroeg hij in interviews, maar half grappend. Maar gisteravond is Fons Rademakers toch overleden, aan de gevolgen van longemfyseem. Hij is 86 jaar oud geworden.

Toen Rademakers, gevierd toneelacteur en -regisseur, in 1958 zijn eerste film, Dorp aan de rivier, begon op te nemen, had de cinema in Nederland nog nauwelijks iets opgeleverd wat de naam speelfilm mocht dragen. Documentairemakers genoeg, maar de paar geslaagde Nederlandse speelfilms waren vrijwel allemaal geregisseerd door Duitse regisseurs op de vlucht voor het nazi-regime.

Rademakers was een pionier omdat er geen Nederlandse speelfilmindustrie bestond toen hij zich op de cinema stortte. Hij voltooide in 1963 zijn vierde film, Als twee druppels water, en was daarmee de eerste Nederlandse regisseur die zoiets als een oeuvre wist op te bouwen. In 1989 zou hij zijn elfde en laatste film maken, The Rose Garden, een Amerikaans-Duitse productie met Maximilian Schell en Liv Ullmann. Het was geen toeval dat Rademakers zijn loopbaan met een internationale coproductie afsloot. Zijn hele leven heeft hij verder gekeken dan Nederland groot was, zowel op persoonlijk als op professioneel gebied. Hij is altijd een kosmopoliet gebleven. De laatste jaren van zijn leven woonde hij in Italië – eerst in Rome, pal tegenover het Pantheon, later in een dorpje – en ten slotte in Frankrijk.

Alphonse Marie Rademakers werd geboren in 1920 in een welgesteld gezin in Roosendaal. ,,Een zondagskind’’, zei hij in 2003 in een interview. In 1937 trok zeventienjarige Fons naar de toneelschool in Amsterdam. In de oorlog week hij kort uit naar Zwitserland. Na de bevrijding werkte hij bij het belangrijkste toneelgezelschap, De Nederlandse Comedie, tot hij in 1955 subsidie kreeg om zich in het buitenland te oriënteren. De reis bracht hem in Italië bij Vittorio De Sica, in Frankrijk waar hij werkte voor Joris Ivens en Jean Renoir, en in Groot-Brittannië bij Charles Chrichton.

Bewondering was een gave van Rademakers. Zonder zichzelf als een slechte regisseur te beschouwen, gaf hij blijk van zijn hoge achting voor filmers als Bergman, Fellini, Buñuel en Truffaut. Met velen van hen zou hij vriendschap sluiten. Zij zullen in de eerste plaats een artistieke geestverwant hebben herkend, maar het moet ook te maken hebben gehad met Rademakers’ persoonlijkheid: hartelijk, warm, een levensgenieter die wist waar je het lekkerste ijs van Rome kon krijgen.

[Vervolg RADEMAKERS: pagina 10]

Een warm verteller die geen school maakte

De acteur en regisseur Fons Rademakers kon schitterend vertellen. In het boek Fons Rademakers. Scènes uit leven en werk dat Mieke Bernink in 2003 schreef, staan typerende foto’s met Fellini en met Truffaut.

Rademakers’ liefde voor het buitenland wwerd beantwoord. Hij won op veel buitenlandse podia prijzen en de internationale pers bleef altijd benieuwd naar nieuw werk van zijn hand. Dorp aan de rivier, zijn debuut, was de eerste Nederlandse speelfilm die werd ingezonden voor de Oscars. De impressionistische film over de belevenissen van een arts op het platteland, naar een boek van Antoon Coolen, won wel een Golden Globe, maar moest de Oscar aan Les cousins van Claude Chabrol laten.

Maar Rademakers’ naam was gevestigd. ,,Dutch New Master’’, kopte de Daily Telegraph.

In 1987 won Rademakers alsnog zijn Oscar, als eerste Nederlandse speelfilmregisseur, voor De aanslag, naar het boek van Harry Mulisch. Typerend: dat jaar gaf de jury op de Nederlandse Filmdagen het Gouden Kalf voor de beste speelfilm aan Abel van Alex van Warmerdam. Met zijn karakteristieke mengeling van zelfvertrouwen, kalmte en minachting voor Nederlands provincialisme heeft Rademakers er zijn schouders over opgehaald. Wel werd hem in 1996 de Bert Haanstra Oeuvreprijs toegekend.

Dit alles roept de vraag op wat Rademakers als cineast anders heeft betekend dan dat hij als eerste in Nederland stug bleef dóórfilmen toen niemand dat nog deed. School gemaakt heeft hij in ieder geval niet. En een specifieke cinematografische signatuur hebben de elf films van Rademakers ook niet.

In het genoemde interview uit 2003, bij het verschijnen van een dvd-box met het werk van Rademakers, zegt Paul Verhoeven zich in zoverre met Rademakers verwant te voelen, dat hij ,,de serieuze poging om iets van film te maken’’ met hem gemeen had, ,,om met film iets uit te drukken, om film als kunst te beschouwen’’. Ook zegt Verhoeven hier dat Rademakers degene was die drama in de Nederlandse film introduceerde. Film was voor hem vooral een manier om een verhaal te vertellen met acteurs.

Om zijn acteursregie is hij dan ook altijd en zonder reserves geprezen. Het mooiste voorbeeld is zijn ontdekking van John Kraaykamp, die tot dusver slechts als komiek was gebruikt, maar in Rademakers’ De aanslag de meeste indruk maakte als de gekwelde verzetsman Takes. In een interview met deze krant in 2004 zei Rademakers dat hij het werk verdeelde met zijn vrouw Lili Veenman, die sinds Makkers staakt uw wild geraas (1960) zijn regie-assistent was. Zij lette meer op de technische aspecten van het filmen, hij sprak als enige met de acteurs. Met mindere acteurs had hij weinig geduld. Als het niet goed was, dan speelde hij het voor. ,,Allemaal kleine Rademakertjes’’, zei een criticus over de bijrollen in zijn films.

De verhalen zelf haalde Rademakers uit de literatuur, een medium dat hij hoger achtte dan de cinema. Slechts twee van zijn films waren gebaseerd op een origineel scenario, Makkers staakt uw wild geraas (Jan Blokker, 1960) en Mijn vriend (Gerard Soeteman, 1979). De rest was verfilmde literatuur, met Multatuli’s Max Havelaar (1976) als zijn meest ambitieuze onderneming en het werk van zijn vriend Hugo Claus als meest constante bron van inspiratie.

,,Ik ben geen Bergman of Buñuel, helaas’’, zei Rademakers in 2003. Hij wist dat hij moest leunen op het oorspronkelijke vertellerstalent van anderen, maar hij was er trots op dat hij die anderen aan zich wist te binden. Mulisch vergeleek hem met Gustave Doré, een illustrator, maar een groot illustrator. En zijn vrouw Lili vatte het nog krachtiger samen, met haar typische gevoel voor understatement: ,,Wat Fons ook maakte, het werd nooit rotzooi.’’