Geef programminister eigen budget

Met het nieuwe kabinet komt er niet alleen nieuw beleid, maar ook de uitvoering kan anders. Ludy Geut en Jacco Post geven adviezen voor een effectiever landsbestuur.

Het coalitieakkoord belooft vernieuwing in de manier van werken van het kabinet: een ‘projectmatige’ manier van besturen en een maatschappelijke dialoog. De nieuwe ministersploeg moet nog wel stevige afspraken maken om die vernieuwing ook echt te laten zien. De ‘projectmatige’ manier van besturen zie je bij twee programmaministers: André Rouvoet mag zich ontfermen over jeugd en gezin, en Ella Vogelaar over wijken en integratie. Het mooie van programmaministers is dat de vraag uit de samenleving leidend is. Maatschappelijke vraagstukken laten zich niet vangen in de Haagse departementale indeling. Programmaministers kunnen de verkokering overstijgen en daarmee de inefficiëntie van elkaar bevechtende Haagse departementen tegengaan.

Zo’n minister moet alleen geen ‘Jan-zonder-land’ zijn. Tot dusverre waren ministers zonder portefeuille gangbaar, die wel bevoegdheden hadden maar geen budget en eigen ministerie. Om te voorkomen dat de programministers moeten bedelen om geld bij de minister van Financiën en om mankracht bij collega-ministers, is de oplossing even simpel als moeilijk: geef ze een eigen begroting en geef ze eigen ambtenaren.

Dat vergt dus ook echte verschuivingen vanuit de ministeries van VROM, VWS, OCW en Binnenlandse Zaken. Anders kan de programmaminister geen deuk in een pakje boter slaan.

Ook de maatschappelijke dialoog die de nieuwe coalitie zoekt biedt kansen voor vernieuwing. Het nieuwe kabinet – met bewindslieden op Binnenlandse Zaken die afkomstig zijn uit lokale overheden – treedt gemeenten en provincies open tegemoet en wil taken decentraliseren. Dat is een goede zet na de afgelopen kabinetsperiode, waarin de verhoudingen in het openbaar bestuur op scherp werden gezet. Het coalitieakkoord straalt ook vertrouwen uit in de professionals in de uitvoering. Zij kennen de wereld waarin de Haagse interventies neerslaan heel wat beter dan de politici ‘onder de kaasstolp’.

Het gevaar is dat de dialoog blijft steken in de blubber van de polder. Het coalitieakkoord is over veel beleidsonderwerpen vaag en voorziet een stortvloed aan deltaplannen, urgentieprogramma’s, offensieven en brede aanpakken. Als die plannen allemaal met een maatschappelijke dialoog tot stand moet komen, dan ziet u het al voor zich: dat wordt vier jaar lang beleid maken. Aan uitvoeren komt het nieuwe kabinet niet toe.

Het kabinet kan dit voorkomen door een strakke invulling van het beleidsprogramma te maken voor de zomer. Dat betekent: formuleer de doelen die elke minister deze kabinetsperiode wil bereiken en kom meteen ter zake over hoe je die wilt bereiken. Alle medeoverheden en maatschappelijke organisaties moeten daarin een ‘rugnummer’ krijgen en worden afgerekend op hun bijdrage. Niemand moet zich kunnen verschuilen achter zogenaamde eigen verantwoordelijkheden en posities. De resterende kabinetsperiode gaat iedereen vervolgens uitvoeren. Na Prinsjesdag moet het nieuwe kabinet geen beleid meer willen maken, maar regie voeren op het halen van resultaten.

Als de nieuwe ministersploeg nog meer profijt wil hebben van de medeoverheden en maatschappelijke organisaties, helpt het om het gelijkheidsdenken te doorbreken, waarvan de bestuurlijke cultuur in Den Haag nu nog is doordrenkt: alle regels en maatregelen moeten voor heel Nederland hetzelfde uitpakken. Bij het enkele onderwerp waar Den Haag van dit uitgangspunt afweek – zoals de decentralisatie van bijstandstaken naar gemeenten – ontstond in de Tweede Kamer opwinding over de verschillen die tussen gemeenten ontstonden. De rechtsgelijkheid moet zitten in de doelen die je haalt, niet in de weg er naartoe, zoals nu de Haagse methode is. Onze stelling is dat Den Haag meer moet durven loslaten en maatwerk bieden: verschillende problemen vragen verschillende oplossingen – zie de ‘Rotterdam wet’.

Kortom, de nieuwe bewindslieden hebben met ingang van hun ‘constituerend beraad’ nog stevige afspraken te maken. Als zij daarin slagen is dat nog niet genoeg.

Een nieuwe manier van besturen door het kabinet vraagt ook durf van het parlement. Als bij elk incident de parlementaire reflex blijft: ‘onderste steen boven’, ‘wist de minister…’, ‘heeft de inspectie’, ‘welke maatregelen worden genomen…’, dan ontstaat er geen vertrouwen bij de maatschappelijke organisaties en de burger. Dan zullen regering en parlement, in plaats van ondernemerschap en durf, juist angst en regelconform gedrag ontmoeten bij de organisaties en bij de ambtenaren.

Ludy Geut en Jacco Post zijn werkzaam als directeur en senior managing consultant bij Berenschot Public Management.