Presidentskandidaten

Wat in Amerika van de laatste jaren zo opvalt, is de heftigheid van de polarisatie. Het zit diep en het is emotioneel. En het kruipt door allerlei kieren het systeem binnen. Zomaar een detail: toen Madeleine Albright een paar jaar geleden een praatje hield in Amsterdam, bleef de Amerikaanse ambassadeur weg – want zij is Democraat, hij Republikein. Alsof zij geen grenzen in acht heeft te nemen, wanneer zij in het buitenland is en alsof hij niet Amerika vertegenwoordigt, maar de Republikeinse partij.

Het is een kleinigheid, maar zoiets was vroeger ondenkbaar.

Wanneer het precies is begonnen, is onderwerp voor discussie. In de tijd van de Clintons waren er al geen fluwelen handschoenen meer. Clinton werd acht jaar lang opgejaagd met juridische procedures, en de Clintons zelf waren ook niet te beroerd om vijanden te zien waar het slechts tegenstanders betrof.

Voor de rest van de wereld is het een geweldig probleem: zo’n machtig, leidend land dat een halve eeuw van common sense uit het raam heeft gegooid. Wie op zijn klassiekers afgaat, zou kunnen zeggen: het is een teken van verval (Edward Gibbon, Decline and Fall of the Roman Empire), maar dat is wat al te gemakkelijk.

Zeker is dat ideologie en daarmee samenhangend ook botsende levensstijlen de polarisatie hebben versterkt. Het is niet hetzelfde of je, zoals de huidige president, Jezus Christus je grote held noemt of de sterveling John F. Kennedy, want de ene rookte niet, dronk niet, was ook verder van de abstinentie en had bovendien een unieke, bovenmenselijke missie.

De econoom (en columnist) Paul Krugman vermoedt daarentegen dat de polarisatie voortvloeit uit de groeiende inkomensverschillen in Amerika. Die geweldige onderbuikwoede over en weer had je ook honderd jaar geleden in Amerika en wat inkomens- een vermogensverschillen betreft is Amerika daar ongeveer ook weer bij terug. De New Deal van Roosevelt is ruim een halve eeuw na dato praktisch weggegomd, de Henri Fords en David Rockefellers van nu heten Bill Gates of Warren Buffett.

Zou kunnen.

Maar zijn politieke leiders niet gewoon ook onderworpen aan de publieke wetten van de behaagzucht? Zodra een kandidaat beter zijn best doet om ‘aardig’ gevonden te worden in plaats van autoriteit te verwerven, kan een tegenkandidaat weinig anders doen dan oppositie vervangen door afkeer. Leuk versus vreselijk en omgekeerd. De polarisatie wordt dan ordinair-emotioneel en daarmee moeilijk te beteugelen.

Hoewel de rest van de wereld slechts mag toekijken, heeft die in elk geval belang bij een toekomstig president die verzoent. Dat weegt zwaarder dan de vraag of zo iemand nu een Democraat of een Republikein is. Europa is weliswaar altijd geporteerd voor een Democraat, maar iemand die wat autoriteit en bipartisanship kan terugbrengen, is beter dan een splijtende Democraat.

Aan Democratische kant is dat de vleesgeworden verzoening in de figuur van Barack Obama. Hij mist ervaring, heeft een verleden erg ver weg van Europa (Hawaï, Indonesië, Hawaï, Kansas) en moet nog maar overeind zien te blijven wanneer de campagne overschakelt op venijn en stoten onder de gordel. Een klein voorproefje kreeg hij onlangs toen een van die pokende bloggers wist te melden dat Obama zijn kinderjaren in Jakarta op een strenge moslimschool was geïndoctrineerd. Het was kwaadaardige onzin, maar de milde kandidaat reageerde laat en wie weet blijft er toch wat hangen. Hillary Clinton is een harde tante, ambitieus. Ze kan gemeen zijn en opportunistisch, maar ze is door en door afgetraind als strijdbare vakvrouwe. En met een fantastische machinerie om campagnegelden op te halen en een echtgenoot die de beste politieke fundraiser van het land is.

Of verdere kandidaten zich nog in de kopgroep weten te dringen, is een open vraag: verrassing en onvoorspelbaarheid zijn de belangrijkste constanten in het vierjaarlijkse spel om de macht.

Aan Republikeinse kant is het veld veel onoverzichtelijker, kandidaten moeten hun distantie tot de zittende president nog een politieke vorm geven. Voor hen begint het kandidatenfestijn eigenlijk rijkelijk vroeg, want je wilt je eigen president niet twee jaar tevoren al demonstratief afschrijven. Maar de eeuwige John McCain noch de streetwise ex-burgemeester van New York Rudy Giuliani wordt gedreven door ideologie. Als een van hen president wordt, dan zal de regering niet worden volgestopt met figuren die het scheppingsverhaal letterlijk nemen en oppositie verwarren met goddeloosheid en vijandschap. De eerste is wat chaotischer, de tweede wil bovenal graag ‘in charge’ zijn, maar allebei zijn ze tot bipartisanship in staat. De populariteit van Giuliani tart in zekere zin alle recente wijsheid: hij is enorm meeslepend als je hem in een zaal meemaakt, dat wel, maar hij is twee keer gescheiden en drie keer getrouwd, begrijpt abortus, deelde ooit kamers met een homostel en ziet eigenlijk niets in vrij wapenbezit. Kortom, op papier geheel ongeschikt voor de Republikeinse partij, zoals we die kennen. Kansloos uiteindelijk of een trendbreuk?

De Baker-commissie over Irak, de kandidatuur van Obama, de geleidelijk gesmoorde voetzoekers van het Bush-fundamentalisme – het zijn allemaal tekenen dat de rest van de wereld mag hopen op leiderschap dat een machtig land intern eerder bindt dan verdeelt.

Maar garanties voor verzoening-als-trend zijn er niet. De huidige Witte Huis clan kan als een kat in het nauw nog rare sprongen maken en het land verdelen. Een economische terugslag kan xenofobe sentimenten aanwakkeren en de herboren christenen zoeken nog een kandidaat.

En dan nog: campagnes op basis van likeability blijven even verleidelijk als gevaarlijk. Dat geldt zelfs voor Obama.