Paspoort is niet allesbepalend

Een Nederlands paspoort is geen garantie voor loyaliteit aan het land, betoogt Caroline de Gruyter, al jaren in het buitenland. En twee paspoorten betekent niet dat je deloyaal bent.

Al dagen worstel ik met de vraag of ik een betere Nederlander ben dan Nebahat Albayrak of Ahmed Aboutaleb. Volgens de definities van sommige leden van de Partij voor de Vrijheid (PVV) zou ik dat inderdaad moeten zijn. Ik heb immers maar één paspoort: een Nederlands. Dus ben ik honderd procent loyaal aan de Nederlandse staat en alles wat daarmee samenhangt. Aangezien Albayrak en Aboutaleb twéé paspoorten hebben, kunnen zij die loyaliteit volgens de PVV niet opbrengen. Volgens diverse scribenten op de website ‘Forza! Nederland’ zijn zij om die reden zelfs „landverraders pur sang”, „bereid voor Allah alles te doen” en „infiltranten van de eerste orde”.

Toch denk ik dat Albayrak en Aboutaleb betere Nederlanders zijn dan ik. Ten eerste reageren zij doodkalm op deze beledigende taal, wat tegenwoordig kennelijk een vereiste is voor geïntegreerde, participerende burgers van Nederland.

Dat brengt mij op het tweede, veel belangrijker punt: de twee staatssecretarissen-in-spe kénnen het moderne Nederland veel beter dan ik. Sinds ik bijna dertien jaar geleden uit Nederland vertrok, heb ik me meer in mijn nieuwe thuislanden verdiept dan in Nederland. Aangezien ik met een buitenlander ben getrouwd, is de kans dat ik ooit nog in Nederland ga wonen praktisch nihil.

Toen ik een poosje geleden – bij wijze van grap – een test deed die inburgerende migranten moeten invullen als ze Nederlander willen worden, wist ik op veel vragen het antwoord niet. Toen ik hoorde dat PVV’ers bezwaar maakten tegen de beëdiging van Albayrak en Aboutaleb, moest ik even googelen: PVV?

Het punt is: de twee nieuwe staatssecretarissen zijn Nederlanders en ik ben hooguit een ‘verledenlander’. Mijn Nederland is dat van vóór 1994. De taal is veranderd. In de politiek heeft een revolutie plaatsgevonden die ik moeilijk kan duiden. Toch zou ik, met mijn Nederlandse paspoort, meer recht van spreken hebben dan twee mensen die zich al jaren voor de openbare zaak inzetten – iets wat ik nooit gedaan heb?

Maar ik kan het u sterker vertellen. Mij vraagt nooit iemand waar ik begraven wil worden. Hoewel ik mij die vraag sinds vorige week zélf stel, weet ik daar ook het antwoord niet op. Tegen mij zegt nooit iemand dat het gek is dat ik Nederlands met mijn kinderen spreek. Ze zijn geen van drieën in Nederland geboren, hebben er nooit gewoond. Maar ze lezen Nederlandse boekjes en zijn dolblij als iemand een Donald Duck of een pak hagelslag voor hen meeneemt. Mijn man spreekt Frans met hen – zijn moedertaal. Maar omdat hij half Portugees is, eten wij met kerst bacalao en zitten we ’s zomers vaak in Portugal. Hoe wil je anders dat kinderen met hun familie communiceren, hoe geef je hen anders iets mee van de leuke dingen waarmee hun ouders zijn opgegroeid? Die cultuurmix lijkt mij positieve bagage. Daarbij gaan ze hier in Zwitserland gewoon naar de dorpsschool, balletten en zwemmen en judoën ze op zijn Zwitsers, heeft hun Frans een Zwitsers accent en zijn we onlangs nog naar een oer-Zwitsers museum geweest met een zo mogelijk nóg Zwitserser kaasfondue in een restaurant getiteld ‘Café des Alpes’ tot slot. Dus so what, die paar pakken hagelslag?

Maar ik kan ook bekrompen zijn. Toen wij rond sinterklaas in Nederland waren, hoorde ik in de Hema een vrouw Turks praten met haar zoon. Ik dacht meteen: waarom spreekt ze geen Nederlands met hem? Op hetzelfde moment drong het tot me door dat ik in Jeruzalem, Brussel en mijn huidige woonplaats Genève óók nooit de landstaal met mijn kinderen heb gesproken. Niemand heeft me dat ooit verweten. Integendeel, mensen vinden het doodnormaal. Waarom verwacht ik dat dan wel van haar?

Omdat iedereen het verwacht van haar en niemand het verwacht van mij. Wij zijn beiden migranten. Maar zij hoort tot een groep die sociaal, politiek en economisch als ‘probleemgroep’ te boek staat. Ik hoor tot de migration dorée, waar niemand zich druk om maakt en die dus overal welkom is – permanent of voor een poosje. Of ik één of meerdere paspoorten heb, maakt niemand iets uit. Van welke landen, dat doet er ook niet toe.

Neem mijn eigen echtgenoot. Als mensen hem vragen waar hij vandaan komt, zegt hij: „Ik heb een Belgisch paspoort.” Goede verstaanders begrijpen het meteen: hij vindt België een verschrikkelijk land en voelt zich zéér Portugees. Zijn moeder was Portugese, maar zelf is hij geboren en getogen in Brussel, het land van zijn vader. Ter zake: als mijn man staatssecretaris in België zou worden, is daar juridisch geen speld tussen te krijgen. Maar daarmee zou de Belgische staat, volgens de definitie van de PVV, een aloyaal persoon binnenhalen. Een paard van Troje, wie weet. Hetzelfde paard van Troje waarmee sommigen Albayrak en Aboutaleb al op misselijkmakende websites zijn vergeleken, juist omdat ze twéé paspoorten hebben. Laten we blij zijn dat zij morgen worden beëdigd. Voor hen horen dezelfde regels te gelden als voor mij.

Caroline de Gruyter is correspondent van NRC Handelsblad in Genève. Ze schreef onlangs ‘De Europeanen’, over mensen met gemengde nationaliteit en identiteit in Brussel.