Linkse revolutie Bolivia hapert

Het volgen van een marxistische koers in de mondiale kapitalistische brandstofwereld valt Bolivia niet mee. De frustraties in de energiesector lopen op.

Bolivia, het kleine en arme socialistische broertje van Venezuela, is schatrijk aan olie en bezit na de Bolivariaanse republiek van Hugo Chávez de grootste hoeveelheid gas van het continent. De bevolking reageerde daarom verheugd op de belofte van de in 2005 gekozen, eerste indiaanse president Evo Morales dat het land na 500 jaar koloniale uitbuiting eindelijk zelf optimaal zou profiteren van de natuurlijke rijkdommen. Maar door gebrekkige financiële en technische middelen en een tekort aan menselijke deskundigheid wil dat nog niet erg vlotten.

Er hapert veel aan de vorig jaar door Morales triomfantelijk afgekondigde nationalisering van de brandstofindustrie, zo blijkt uit een rondgang langs deskundigen. De 44 contracten die de Boliviaanse staat een groter deel van de olieopbrengsten van multinationals gunnen, zijn bijvoorbeeld nog steeds niet van kracht. „De door de Boliviaanse overheid opgestelde overeenkomsten stonden vol met fouten. Zelfs de namen van bedrijven klopten niet. De juristen van de overheid moeten hun huiswerk overdoen”, zegt een hooggeplaatste medewerker in de Boliviaanse energie-industrie.

De frustraties stapelen zich op. Uit solidariteit met zijn linkse partijgenoot Morales besloot de in het bedrijfsleven geschoolde Juan Carlos Ortiz vorig jaar het Boliviaanse staatsenergiebedrijf YPFB te gaan leiden. Vorige maand stapte hij al gedesillusioneerd op. Hij kon niet door één deur met de volgens hem geheel incompetente minister voor Energie Carlos Villegas.

Ook de minister, afgeknapt door de gebrekkige resultaten, nam twee weken geleden ontslag. Maar Morales weigert zijn vertrek. „Ik werk hier nu minder dan vier jaar en heb al tien verschillende ministers van Energie meegemaakt”, zucht Hugo Vits, vicepresident van de buitenlandse gastransporteur Transredes.

Het kiezen van een geheel eigen marxistische koers in de grote mondiale kapitalistische brandstofwereld blijkt voor een relatief klein land niet mee te vallen. Een van Morales’ eerste maatregelen bepaalde dat geen ambtenaar meer verdient dan 1.500 dollar per maand. „Maar bij elke multinational kan ik minimaal vijf keer zo veel verdienen. Het is in deze sector heel gebruikelijk deskundigen in te kopen, maar met dit soort salarissen kun je geen gekwalificeerd personeel aantrekken”, zegt een naar de concurrentie overgelopen ex-medewerker van YPFB.

Bolivia Morales’ koers verontrust bedrijfsleven

Ook de presidenten van staatsbedrijf YPFB komen en gaan. De nieuwste, Manuel Morales Olivera, is de derde bedrijfsbaas in één jaar. De man was politiek adviseur van de socialistische regeringspartij MAS en zijn opleiding voldoet in geen enkel opzicht aan het wettelijke vereiste van ‘minimaal tien jaar relevante ervaring in de energiebedrijfstak’. Maar de regering liet weten die wettelijke bepaling niet na te leven, omdat het een oude „neoliberale norm” is.

De Boliviaanse regering lijkt niet goed te kunnen besluiten hoe de exploitatie van ’s lands natuurlijke hulpbronnen het beste kan worden geregeld. Het gaat tussen een Nederlands-Noors model waarbij er sprake is van publiek-private samenwerking en de Boliviaanse overheid meerderheidsbelangen verwerft in bedrijven die in de hele keten – van boorput tot gastoestel – actief zijn. Of een radicalere variant waarbij – zoals twee keer eerder in de geschiedenis – de hele energie-industrie wordt onteigend en genationaliseerd.

„De brandstoffen en de bedrijven die het gas en olie exploiteren, moeten volledig in Boliviaanse handen komen”, zegt Mirko Orgáz, protestleider in de oude Boliviaanse oliehoofdstad Camiri. De president probeert volgens hem ten onrechte Europese regeringen te vriend te houden. „Zelfs de Nederlandse koningin legde de rode loper uit voor Morales. Ze is natuurlijk maar wat blij dat Bolivia nog steeds niet alle buitenlandse bedrijven heeft onteigend.”

Om die onteigeningen af te dwingen, bezetten betogers deze maand in Camiri dagenlang de multinational Transredes (deels van Shell). „Ik heb ternauwernood weten te voorkomen dat Transredes door woedende demonstranten werd geplunderd. Maar de limiet is bereikt. We willen werk, eten en waardigheid”, zegt Orgáz. Om de betogers rustig te krijgen, beloofde de regering een hoofdkantoor van YPFB (met 300 man personeel) te openen in Camiri, 1.100 kilometer zuidoostelijk van regeringscentrum La Paz.

Maar ook als de regering wel radicaal handelt, is niet iedereen tevreden. Deze maand bezette Morales met het leger de Zwitserse tinsmelterij Glencore in Oruro. Het bedrijf werd onteigend. Maar nu vrezen de 450 arbeiders slechts als „politieke scalp” te dienen. Ze eisen behoud van werk en arbeidsvoorwaarden, anders volgt actie.

De firma eist schadeloosstelling voor de onteigening. Morales liet daarop weten ook geld te zullen eisen, omdat de Zwitsers onvoldoende zouden hebben geïnvesteerd in het metaalbedrijf.

Het zijn geschillen die ze bij de Kamer van Koophandel en Industrie in de economische hoofdstad Santa Cruz met lede ogen aanzien. Volgens Gabriel Dabdoub, voorzitter van de Kamer, radicaliseert Morales. „In het begin hadden we nog een redelijk goede dialoog. Maar zijn recente Plan voor de Nationale Ontwikkeling leest als een ideologisch en politiek pamflet en veel minder als een economisch plan.”

Morales is volgens Dabdoub hard bezig Venezuela links in te halen en lijkt de samenleving vooral te willen inrichten volgens een Cubaans model. „Het economische plan van Evo praat alleen maar over coöperaties maar wij willen een modern land met ruimte voor het bedrijfsleven. Ondanks de gestegen prijzen van de grondstoffen is de Boliviaanse economie maar met 4,5 procent gegroeid, de werkloosheid steeg van negen naar elf procent.”

Bolivia isoleert zich volgens de ondernemers. Bondgenoten als Venezuela en Cuba mogen politiek interessant zijn, economisch niet. Naar Venezuela exporteerde Bolivia in 2006, vooral soja, voor 195 miljoen dollar. De export naar Cuba is zo miniem dat de Kamer van Koophandel er niet eens cijfers over heeft.

„Investeerders uit Europa en de VS worden afgeschrikt door de linkse praatjes over nationaliseringen”, zegt Dabdoub. Maar er is volgens hem nog hoop. „Evo is intelligent en moet in staat zijn zijn beleid alsnog te veranderen.’’