In de schaduw van China

China-plus-1 is het antwoord van Maleisië op de macht van China. Spreid het risico. Buitenlandse investeerders doen dat ook. Maar zich er verdringen doen zij niet meer.

Maleisische postzegels met modellen van Proton, de mislukte auto van eigen bodem. Foto’s Reuters, Bloomberg (Foto Bloomberg) A Malaysian shows a series of stamps featuring Malaysian-made automobiles in Kuala Lumpur July 10, 2001. The stamps depict Putra, Tiara, Waja, and GTi, which are made by Proton; Kancil, Rusa, Kembara, Kenari which are produced by Perodua, as well as the TD 2000 and the Inokom Permas. Malaysia started its automobile industry in 1985 and Proton, the country's biggest car maker, sold 261,444 cars in 2000, giving it 63 percent of the country's passenger car market. BM/RCS REUTERS

Hoog boven Kuala Lumpur glanzen twee zilveren torens. Even waren ze met 425 meter ’s werelds hoogste gebouw, betaald met oliegeld en voltooid als symbool van Maleisische assertiviteit. De aanbesteding van de Petronastorens, genoemd naar de nationale oliemaatschappij Petronas, was geschied in de tijd dat de Aziatische tijgers (Taiwan, Singapore, Hongkong en Zuid-Korea) nog niet zo overschaduwd werden door China. En voordat tien jaar geleden de Aziëcrisis iedereen hier confronteerde met de gevolgen van te veel buitenlandse schulden en te weinig financieel toezicht.

Toen de crisis eenmaal was uitgebroken, sloegen politieke leiders wild om zich heen, de toenmalige premier Mahathir noemde de crisis „een Amerikaanse samenzwering tegen Azië”. Buitenlandse investeringen duikelden met de aandelenbeurs omlaag. Maar geleidelijk aan ontstaat een nieuw evenwicht. De financiën zijn op orde, de plek in de schaduw van China begint te wennen. De man achter ’s lands vijfjarenplannen, Gan Khuan Poh: „Het ziet er heel goed uit de komende jaren, de uitgaven zijn onder controle, de investeringen groeien weer, we hebben een stabiele omgeving. We hebben maar één zwakke plek, het opleidingsniveau van de werknemers, maar daar werken we aan.”

Maleisië beschouwt zichzelf graag als het land dat een antwoord op China heeft gevonden. Er is zelfs een term voor ‘China-plus-1’. Het is een term die in veel Aziatische landen inmiddels school maakt – deels een vondst, deels een bezwering. Michael Yeoh, directeur van het Asian Strategy and Leadership Institute: „Wij voelen de schaduw niet zo sterk meer. We zijn een aantal jaren investeringen misgelopen, omdat China goedkoper is. Maar dat hebben we in grote lijnen achter ons. Het is nu China-plus-1 wat de klok slaat.”

China-plus-1 is te vinden in het zuidelijke Johordistrict, waar veel elektronicabedrijven zijn gehuisvest. Neem daar bijvoorbeeld Flextronics, dat een belangrijke toeleverancier is voor de Amerikaanse computergigant Hewlett-Packard. Flextronics heeft al jarenlang grote productiehallen in China, maar onlangs zette de firma er hier in Johor een productielijn bij van zo’n 100 miljoen euro, speciaal voor de productie van HP-printers. Waarom niet gewoon weer in China?

Ze hebben twee redenen: ten eerste beginnen de lonen in Shanghai aardig te stijgen en ten tweede wil een wereldspeler zich niet helemaal van China afhankelijk maken voor de productie. Vandaar China-plus-1. Het is een kwestie van economische en politieke risico-spreiding.

Bovendien is er de Chinese vraag naar olie en palmolie, en de Chinese toerist komt eraan. Kortom, de grootste problemen achter de rug, de kansen weer voor het oprapen.

Het is in elk geval een deel van de werkelijkheid. Het andere is dat ook Maleisië niet meer in de buurt komt van de spectaculaire groeicijfers van China. De cijfers schommelen tussen de 5 en 6 procent. En de buitenlandse investeringen groeien evenmin spectaculair. Er is een wijdverbreide perceptie dat Maleisië niet meer zo aantrekkelijk is als vroeger. De politieke en sociale cultuur en de patronage zijn een doorn in het oog van buitenlanders en die hebben tegenwoordig meer keuze in Azië dan alleen Maleisië, Thailand of Taiwan. En de etnische verhoudingen zijn niet meer wat ze geweest zijn, met een luidruchtige, agressieve toon die islamieten aanslaan tegen minderheden, en tegen de buitenwereld.

De overheid bemoeit zich via haar investeringsvehikel Khazanah intensief met energie, luchtvaart, automobielindustrie en telecom. Het is een ingewikkeld spel, waarbij alles draait om etnische verhoudingen en spanningen. 60 procent van de bevolking is Maleis (en moslim), 25 procent Chinees en 10 procent Indiaas.

De Maleisische meerderheid heeft de macht en hamert op het islamitische karakter van de staat. Maar het geld wordt door de andere twee groeperingen verdiend. Grof gesteld: De Chinezen zitten in zaken, de Indiërs zijn de professionals, artsen, juristen. Via een stelsel van positieve discriminatie worden gelden overgeheveld. Wie zijn bedrijf naar de beurs brengt, moet bijvoorbeeld 30 procent van de aandelen aan Maleisiërs geven. Studenten moeten voor 60 procent Maleis zijn en bij overheidsbanen is er voorrang.

Kranten berichten al maanden over Proton. Het is het eigen automerk van Maleisië, begonnen in 1983 door Mahathir om zijn land te veranderen in een industrienatie. Een grote autoproducent zou banen scheppen, toegang verschaffen tot technologie, export bevorderen en toeleveringsbedrijven doen ontstaan. Het was een politiek project, zoals vaker werd vertoond in opkomende staten.

Hoewel er in Maleisië veel Protons rondrijden, is dit plan grosso modo mislukt. De wereldeconomie is anders verlopen: wie tegenwoordig wil meetellen in de wereld, wie marketing, distributie en inkoop op niveau wil regelen, produceert meer dan drie miljoen auto’s per jaar. Zo doen de grote autoconcerns het. Het staatsbedrijf Proton haalt de 200.000 auto’s per jaar mede dankzij bescherming van de staat nog net, de export is 20.000 auto’s groot. En de miljoenen vliegen dus het raam uit. Maar vraag hoog opgeleide economen in de hoofdstad naar Proton en zij vluchten in verlegenheid. Iemand wil anoniem wel zeggen dat „Proton bumiputra is”. Bumiputra betekent zoiets als ‘zonen van eigen bodem’, dat zijn dus de Maleisiërs: zij regeren en zitten ook bij Proton aan het stuur. De Maleisiërs subsidiëren dus zichzelf.

Al maanden is de zittende premier, Abdullah Badawi, bezig om een belang van Proton aan een buitenlandse partij te verkopen. Maar het moet een strategische partner worden die niet te veel te zeggen krijgt, want er is nationaal prestige in het geding en niemand mag worden vernederd. Het management zelf heeft er inmiddels een rommeltje van gemaakt met de ondertekening van diverse intentieverklaringen her en der die elkaar eigenlijk uitsluiten. Meer dan de verzuchting „erg gevoelig, erg gevoelig”, wil ook Michael Yeoh er niet over zeggen.

Maleisië heeft een eerstewereldinfrastructuur, maar een derdewereldcultuur. Deze klacht komt van een Maleisische minister. Zo’n politieke en economische cultuur kon het land zich veroorloven in de tijd dat Maleisië vooropliep onder de dynamische Aziatische tijgers en de wereld er zich verdrong. Dat is niet meer zo – China-plus-1 klinkt goed, maar het betekent leven in de schaduw van een ander en met harde concurrentie van andere gegadigden.

De Amerikaanse chipmaker Intel koos vorig jaar ook voor een China-plus-1-strategie. Nadat het de laatste tien jaar bijna 1 miljard euro in China had geïnvesteerd, ging afgelopen jaar een klein miljard aan China’s neus voorbij. Vroeger was het naar Maleisië gegaan, bijna vanzelfsprekend.

Nu werd het Vietnam.