In Burundi blijft alles tijdelijk

Burundi kent nu drie jaar vrede, na een burgeroorlog die aan een half miljoen mensen het leven kostte. De opvang voor de honderdduizenden vluchtelingen laat te wensen over. ‘Papa, is dit nu chez nous?’

Ruhumara is een uit de modder gestampt dorpje voor ‘teruggekeerde vluchtelingen zonder grond en achtergrond’. Foto Jeroen Corduwener Burundi Corduwener, Jeroen

BUJUMBURA, 21 febr. - De modder reikt tot ver boven de enkels van Noël Muzehe, er stijgen dikke bruine bellen uit de brij op. Noël trekt zijn linkerbeen moeizaam uit de blubber, verzet een stap en zinkt weer weg. Zo beweegt hij zich traag tussen zijn huis en dat van zijn buurman, Joseph Kanyigamba. Joseph woont met zijn gezin tussen een stapel stenen. „Vijf maanden gelden was dit mijn woning”, wijst hij naar de restanten, die met golfplaat zijn afgedekt. „De regen heeft alles verwoest.”

Het regenseizoen van de afgelopen maanden is catastrofaal geweest voor Burundi. Honderdduizenden mensen dakloos, oogsten vernield en als gevolg daarvan een voortdurende hongersnood. Nu zindert de zon boven het dorpje Ruharama waar de mid-twintigers Joseph, Noël en bijna honderd andere families tijdelijk zijn neergestreken. Tijdelijk, dat is een woord dat hun leven beheerst. Hun ouders ontvluchtten Burundi tijdelijk in 1972. Ze zouden er nooit meer terugkeren en overleden in Congo, toen dat nog Zaïre heette. Hun kinderen groeiden er op en kregen zelf kinderen. Maar het leven in Congo was tijdelijk, want hun thuis was Burundi, ook al waren ze er nooit geweest en hadden ze geen idee wat ze ervan konden verwachten.

„We konden het zien liggen, Burundi: aan de overkant van het Meer van Tanganyika”, vertelt Noël, in de schaduw van een muurtje, de stenen behoren aan een huis, dat de regenvloed evenmin heeft doorstaan: weggevaagd. „Ik zag de bergen, met aan de voet de hoofdstad Bujumbura. Daar ergens waren mijn vader en moeder opgegroeid, daar waren ze gevlucht toen wij nog niet eens waren geboren.” Hij glimlacht als hij de herinneringen ophaalt. „Vier jaar geleden konden we terug naar huis. Er was vrede.” Hij lacht vreugdeloos: „Eindelijk vrede in Burundi!”

Burundi kent een lange geschiedenis van geweld. Meer dan vijf staatsgrepen sinds de onafhankelijkheid van België in 1962, een voortdurende strijd van Hutu’s tegen Tutsi’s. Een burgeroorlog van dertien jaar die aan een half miljoen Burundese burgers het leven kostte – een veelvoud daarvan vond in de decennia daarvóór de dood. Etnisch geweld heeft het kleine Centraal-Afrikaanse land – klem tussen Rwanda, Congo en Tanzania – totaal verwoest. Nauwelijks nog een huis overeind, een akker bewerkt of een familie compleet. Drie jaar geleden werd eindelijk een wapenstilstand gesloten tussen de Hutu-rebellen en de Tutsi-machthebbers.

Noël hoorde van de vrede en beloofde zijn kinderen: „We gaan naar huis!” Ze zouden samen hun land weer gaan opbouwen. „Ons land…”, zegt Noël nu meewarig. Toen ze de grens overstaken werden ze opgevangen in een doorgangskamp. Tijdelijk. Tijdelijk duurde drie jaar, in een tent, afhankelijk van hulporganisaties, voedselpakketten, waterdistributie. „In Congo kenden wij al jaren geen kampleven meer. In Burundi, ons eigen land, werden we daar weer mee geconfronteerd.”

Na drie jaar maakte het kamp plaats voor een verlaten rijstveld: Ruhamara, op een steenworp afstand van het internationale vliegveld van Burundi. „Dagelijks zien we de hulpvluchten landen. Maar wij hebben niet eens een fiets om water te halen, drie kilometer verderop.” Ruhamara werd een uit de modder gestampt dorpje van honderd huizen voor Rapatriés sans terre sans référence zoals het bord van de vluchtelingenorganisatie van de Verenigde Naties meldt: teruggekeerde vluchtelingen zonder grond en achtergrond. Tijdelijk. Zoals voor Noël, Joseph en nog zo’n 70.000 anderen. Eén op de vier van de ruim 300.000 teruggekeerde vluchtelingen uit Congo en Tanzania heeft in Burundi geen plek, geen huis, geen akker en dus eigenlijk geen leven.

Van de 700.000 vluchtelingen leeft nog ruim de helft in Congo en Tanzania. In Burundi zelf wonen ruim 100.000 mensen in opvangkampen, te bang om terug te keren naar huis of omdat er geen huis meer is. En als er wel een huis is, dan is er geen grond op iets te verbouwen. En is die grond er wel, dan maakten in de voorbije jaren de oorlog, de droogte en nu de regen het verbouwen en oogsten onmogelijk.

In driekwart van Burundi heerst structurele hongersnood. Al jaren. Op een bevolking van nog geen zes miljoen is één op de zes mensen ontheemd. „Het probleem is dat niemand oog heeft voor Burundi”, verzucht Catherine-Lune Grayson, de Canadese woordvoerster van de VN-vluchtelingenorganisatie UNHCR. Ze vertelt dat het steeds moeilijker wordt vluchtelingen te motiveren terug te keren, als er geen thuis is. De terugkeer uit de opvangkampen in Congo en Tanzania is gedaald van 100.000 in 2004 naar nog geen 60.000 in 2006. In januari 2007 staken nog geen 300 Burundezen de grens over.

De internationale gemeenschap en de Burundese overheid schuiven de verantwoordelijkheid voor de problemen op elkaar af. De bewoners van Ruhamara en al die andere tijdelijke nederzettingen in de modder zijn door de internationale donors gecategoriseerd naar ‘rapatriés, immigrés, refuges, déplacés en résidents’.

Teruggekeerde vluchtelingen wonen naast Burundezen die juist huis en haard verlaten hadden omdat ze op de vlucht zijn voor de honger, naast vluchtelingen uit Congo die het geweld daar niet meer aan kunnen – naast Burundezen die niet naar huis durven omdat ze vrezen vermoord te worden door de moordenaars van hun familie, of door de overlevenden van de families die ze zelf omgebracht hebben – naast hen die hier al hun leven lang overleven en die het allemaal over zich heen laten komen.

„Dit dorp is gebouwd op een rijstveld, waar het water normaal al tot de knieën staat”, zegt Noël. Hij vraagt zich hardop af of de overstroming misschien symbolisch bedoeld is voor de toekomst in zijn vaderland. „Mijn kinderen vragen me: ‘Papa, is dit nou chez nous? Waarom gaan we niet terug naar Congo?” Hij kijkt naar de bergen aan de overkant van het Meer van Tanganyika en zegt dan licht wanhopig: „Ik kan hun het antwoord niet meer geven.”