Gebouw

Het gebouw waar ik ooit werkte, is gestorven.

Ik zat deze week in de metro die me er langs zou voeren, maar opeens bedacht ik me en besloot uit te stappen om het gebouw de laatste eer te bewijzen. Het ligt aan de Wibautstraat in Amsterdam, de naam van de laatste bewoner prijkt er nog in grote letters boven: de Volkskrant. Aan de overkant van de drukke straat liggen twee andere, al even ontzielde gebouwen, die van Trouw en Het Parool. Ook die namen zijn nog niet verwijderd, alsof de straat het moeilijk vindt van zijn verleden afscheid te nemen.

Dit kleine, lelijke stukje Amsterdam belichaamt ruim veertig roerige jaren persgeschiedenis. Hier ontstonden primeurs én canards die de natie schokten, reputaties konden er gemaakt en gebroken worden, opinies werden als scherpe, soms giftige, pijlen op de samenleving afgeschoten.

Dat was nu allemaal voorbij.

Tegen de voorgevel van het gebouw van de Volkskrant waren twee lege vitrinekasten bevestigd. Daarin hadden krantenpagina’s gehangen die de voorbijganger kon lezen. In de hal achter de hoofdingang heerste diepe duisternis, nergens meer een portier te zien.

Ik liep om het gebouw heen, voorbij een nutteloze slagboom. Ergens achterin het gebouw brandde nog licht, maar ook de zij-ingang was afgesloten. Een bordje meldde: „Aub deze deur niet openhouden. Is een nooduitgang. Wij krijgen constant meldingen van een openstaande deur.”

De ergernis van de portier – ook voorbij.

Tegenover de zij-ingang stonden een blauwe en witte container. De grond er omheen was bezaaid met floppy’s, papieren, enkele cassettebandjes. De floppy van Ien van Laanen heb ik maar meegenomen en weggegooid, misschien stonden er dingen op die niemand iets aangingen.

Ik belandde aan de achterkant van het gebouw, op een leeg parkeerpleintje waar de plaatsen werden gemarkeerd met bordjes waarvan het opschrift luidde: 1 holding, 2 holding – tot 8 holding. Hier had de redactiebode met zijn auto nooit mogen staan, dat was duidelijk.

Ik liep terug naar de voorkant van het gebouw. Nergens een verwaaide krantenpagina te bekennen. Eigenlijk was nauwelijks meer te zien dat hier ooit een krant was gevestigd. Waar had ik, in de jaren zeventig, ook weer met mijn afdeling gezeten? Rechts op de tweede etage. Het was geen prettig gebouw geweest, ’s winters te koud, ’s zomers te heet.

Ik voelde geen nostalgie, het kantoorleven is nooit aan mij besteed geweest. Maar wel moest ik onwillekeurig denken aan al die ambities, illusies, successen en teleurstellingen van al die redacteuren die zich door dit gebouw hadden bewogen.

Sommigen waren erg links geweest en hadden de wereld willen verbeteren, wat bepaald niet in alle opzichten gelukt was. (Ik kon me nog goed de discussies herinneren of Mao wel of niet deugde). Eén troost hadden ze, voorzover ze nog leefden: het zou hun rechtsere opvolgers evenmin helemaal lukken.

Misschien wordt het gebouw van de Volkskrant gesloopt. Dat doet er verder niet veel toe. De ziel van het gebouw is al verhuisd, naar een industrieterrein aan de rand van de stad, waar de wind guur kan waaien. Hopelijk is dat minder symbolisch dan het klinkt.