Europa wil minder broeikasgas, maar hoe?

De Europese ministers van Milieu werden het gisteren eens over een forse vermin-dering van de uitstoot van broeikasgas. Maar ze zijn er nog niet uit hoe ze dit doel moeten bereiken.

Het is bijna geheimtaal. Een grote, politieke discussie wordt in Brussel soms samengevat in een paar, voor buitenstaanders moeilijk te ontcijferen woorden. Zo werd er tot vorig jaar vaak geruzied over de ‘financiële perspectieven’. Dat is jargon voor de Europese meerjarenbegroting, waar Nederland minder aan wilde bijdragen.

De afgelopen weken is burden sharing (lastenverdeling) snel populair geworden. Achter die woorden gaat een grote, belangrijke discussie schuil. Gisteren werden de Europese milieuministers het eens over een ambitieuze doelstelling: de uitstoot van het broeikasgas CO2 moet in 2020 zijn gereduceerd met minstens 20 procent, ten opzichte van 1990.

Hoe? Dat hebben ze nog niet afgesproken. Maar iedereen is het er roerend over eens: er moet natuurlijk sprake zijn van burden sharing. Alleen: verschillende landen hebben verschillende opvattingen over wat dat betekent.

Het gisteren bereikte akkoord is een overwinning voor de Europese Commissie, het dagelijks bestuur van de Europese Unie. Die presenteerde vorige maand een ambitieus klimaatplan, waarin de 20 procent CO2-reductie werd voorgesteld.

De EU-landen willen zelfs nog verder te gaan, bleek gisteren. Ze zijn bereid tot een vermindering van 30 procent in 2020, als andere industrielanden dat voorbeeld volgen. Dat is meer dan iemand een jaar geleden voor mogelijk hield, zei Europees commissaris Stavros Dimas (Milieu).

Maar het diplomatieke gevecht begint nu pas echt. Want de 20 procent CO2-reductie is een gemiddelde voor de hele EU. Iedereen gaat er van uit dat sommige landen meer inspanningen zullen moeten verrichten dan andere. Wie moeten de zwaarste last dragen? „Er is een beetje een cesuur tussen de oude en de nieuwe landen”, zei staatssecretaris Pieter van Geel (Milieu) gisteren.

Oost-Europese landen vinden dat zij minder moeten doen. Hun economieën zijn sinds 1990, het basisjaar dat wordt gebruikt voor alle berekeningen, stormachtig gegroeid. Dat betekent dat zij ook veel meer CO2 zijn gaan uitstoten sinds dat jaar, en nu dus meer zouden moeten gaan besparen. Niet eerlijk, vinden zij, want zij hadden wat in te halen. Bulgarije en Polen verlangden daarom gisteren een ander basisjaar – dat gunstiger voor hen uitpakt.

Niet alle oude lidstaten hebben begrip voor die denkwijze. Je kunt namelijk ook zo redeneren: in Oost-Europa staan veel verouderde elektriciteitscentrales en fabrieken. Daarom is het voor Oost-Europese landen juist gemakkelijker om hun CO2-uitstoot te verminderen. Ze hebben nog veel ‘laaghangend fruit’, heet het in jargon.

Scandinavische landen, die al veel hebben gedaan aan energiebesparing, wilden gisteren daarom vastleggen dat er rekening moet worden gehouden met „reeds verrichte inspanningen”. Dat lukte niet.

Hoe de pijn zal worden verdeeld is dus nog onduidelijk. De Europese Commissie mag nu voorstellen gaan doen. Enkele ideeën zijn al bekend. De commissie wil wettelijke normen om de CO2-emissie van auto’s te beperken. Verder heeft zij voorgesteld de luchtvaart onder te brengen in het systeem van ‘emissiehandel’. Dat komt er kort gezegd op neer dat bedrijven die vervuilen (nu nog vooral energiecentrales en ‘zware’ fabrieken) moeten betalen voor zogeheten emissierechten. Vervuiling krijgt daardoor een prijs.

Gisteren spraken de milieuministers al even over de luchtvaart. Er was veel steun voor het idee van de commissie. Een besluit hoefde er nog niet over te worden genomen. Maar ook hier liepen veel landen al even vooruit op de discussie die ongetwijfeld zal gaan volgen.

Een vertegenwoordiger van de Finse regering betuigde eerst zijn steun aan het principe dat luchtvaartbedrijven moeten gaan betalen om te mogen vervuilen. Maar, vindt Finland, er moet bij de uitwerking van de plannen straks wel rekening worden gehouden met „geografische omstandigheden”. Er zijn landen met een groot grondgebied, zonder hogesnelheidstreinen. En dáár mag vliegen natuurlijk niet te duur worden, ging de Finse diplomaat verder, zonder zijn eigen land bij naam te noemen.

Er zijn landen die verre buitengewesten hebben, zei de minister van Portugal, doelend op de Azoren, een Portugese eilandengroep in de Atlantische oceaan. Er zijn landen met heel veel eilanden, zei de vertegenwoordiger van de Griekse regering, daar moet natuurlijk rekening mee worden gehouden. En er zijn landen met nieuwe luchtvaartmaatschappijen die snel groeien, zei de minister van Letland, en voor hen mag het systeem óók niet nadelig pakken.

Volgende maand komen de Europese regeringsleiders bij elkaar in Brussel. De agenda staat nog niet vast. Maar ze zullen het zeker hebben over burden sharing.