Een dier doden, dat moet netjes

Minister Veerman over de toekomst van het platteland.

Naast biologische landbouw moet volgens hem ook commerciële landbouw blijven bestaan.

Veerman in januari, met een van de paarden uit Marrum. Foto WFA WFA54:VEERMAN EERT PAARDENREDSTERS MARRUM:LEEUWARDEN;12JAN2007- Foto: Demissionair minister Veerman heeft vrijdagavond tijdens de hengstenkeuring van het Friesch paarden stamboek in Leeuwarden, de paardenredsters van Marrum geeerd. De amazones werden uitgebreid onderscheiden, onder meer als Heldinnen van 2006. Ook de paarden werden geerd. De Landbouwminister wil de dieren met het opspelden van zogenaamde rozetten eren voor het redden van hun soortgenoten. WFA/ls/str Gert Gort WFA WFA

Cees Veerman is in een opgeruimde bui op zijn laatste actieve dag als minister afgelopen vrijdag – voor hij begint aan een week verlof. Na vijf jaar is hij blij dat hij de politiek achter zich kan laten. Hij gaat zich wijden aan langetermijnontwikkelingen in de landbouw.

Eind vorig jaar publiceerde hij zijn ‘testament’ – een essay over de rol van het platteland en de landbouw in Europa. De centrale waarde van de landbouw voor de gewone burger ligt in het bieden van ‘het goede leven’, ofwel een band met de natuur als bron van al ons voedsel. Veerman lijkt daarbij persoonlijk een ouderwetse vorm van landbouw te idealiseren, die op het eerste gezicht dicht bij de visie van de Partij voor de Dieren of GroenLinks ligt. Maar vanuit zijn ministersfunctie wil hij de geïndustrialiseerde landbouw, die de concurrentie op de wereldmarkt aankan, niet uitvlakken.

Hoe brengt u het ‘goede leven’ in harmonie met de moderne, industriële landbouw?

„De geïndustrialiseerde productieprocessen in de landbouw zijn tot stand gekomen door impulsen van de consument, die goedkoop voedsel wil. De consument is onthecht van de bronnen van ons bestaan. Er is geen besef meer dat voor een lapje vlees in een plastic bakje in de supermarkt een dier is gedood. Mijn grootvader leerde mij ooit een kip te slachten. Een dier doden om op te eten, dat moet je netjes doen. Dat besef is bij de moderne consument helemaal weg. De consument wil niet weten hoe het in een slachthuis toegaat.

„Maar er is óók een andere vorm van landbouw, waarin boer en consument dichter bij elkaar staan. Je voelt in de samenleving een verlangen terug naar die bronnen.”

Een romantische trend?

„Deels romantisch, maar ook deels naïef in de zin dat de mensen zich moeten realiseren dat ze een productieketen in gang zetten als ze iets kopen. Je kunt niet achteraf zeggen: maar dat heb ik niet gewild. De kunst is die keten inzichtelijk te maken voor de consument. In de politiek betekent dat kleine stapjes.”

U wordt verweten stapjes in de verkeerde richting te hebben gezet. U heeft bijvoorbeeld de ammoniakwet zo veranderd dat, zo erkent u zelf, de natuur minder snel verbetert dan in de oude wet het geval was.

„Want we willen ook een levenskrachtige veehouderij, en dat kan alleen als boeren kunnen investeren. Een boer die niet meer kan presteren maakt er een zootje van en dat leidt uiteindelijk tot veel meer schade.

„De Partij voor de Dieren zegt: we willen de intensieve veehouderij uit Nederland weg. Dan zeg ik: dat is het exporteren van verantwoordelijkheid, want het eten van vlees gaat gewoon door.”

Krijgen we een tweedeling in de landbouw tussen geïndustrialiseerde, commerciële landbouw en landbouw die ons landschap onderhoudt en deels van subsidie leeft?

„Dat is al aan de gang.”

Hoe gaan we die scheiding maken? Zeggen we: dit is een mooie polder die we willen handhaven, terwijl de productielandbouw naar de Flevopolder of de Maasvlakte gaat?

„Er zijn regio’s waar optimale omstandigheden niet kunnen worden gerealiseerd, bijvoorbeeld doordat de samenleving zegt: ‘daar willen we geen stallen met duizend koeien die nooit buiten komen.’ We kunnen dan die grond kopen en er natuur van maken, maar dat is niet goedkoop. Is het dan niet beter om te kijken naar wat boeren kunnen doen om het landschap in stand te houden? Ofwel boeren hun kaas laten maken, maar dan niet tegen marktcondities?”

Zal de wereldmarkt niet zeggen dat dat de handel verstoort?

„Nee, dat hoeft niet. Het hangt ervan af hoe we die steun geven. Vooral productiesteun is handelsverstorend. En daar stappen we al vanaf.’’

De voedselprijzen gaan omhoog, heeft u gezegd. Wat betekent dat voor ons? Gaan we minder vlees eten?

„Het wordt oneindig veel duurder in de toekomst, want de wereldwijde vleesconsumptie stijgt 3 procent per jaar. Als mensen welvarend worden gaan ze meer vlees eten. Dat is een gegeven. Komt daar een breuk in? Ja, want we kunnen gewoon al die dieren niet voeden die nodig zijn voor die vleesconsumptie. Er moet dus iets gebeuren.”

Gaat de boer een gouden toekomst tegemoet?

„Ja, in die zin dat de productielandbouw te maken krijgt met veel hogere prijzen. Maar dan moeten we wel de schaalvergroting accepteren en ook de landschapsconsequenties. Een varkensflat vind ik ook niks, maar het is het meest efficiënte wat er is.

„Als we echter terug willen naar een landbouw waarin een verstandhouding met dieren mogelijk is, dan moeten we daarvoor betalen. Dan schuiven we op naar een vorm van landbouw waarin de productie vanuit een ideologie is georganiseerd.”

Uw critici ter linkerzijde zeggen: we moeten alleen het ‘goede leven’ willen. U zegt: de productielandbouw moet er ook zijn.

„Het is niet of/of. De wereldwijde marktkrachten zullen we niet kunnen weerstaan. Het commerciële deel van de landbouw zal zich aanpassen en heeft goede vooruitzichten. Prijzen zijn honderd jaar lang naar beneden gegaan en gaan nu naar boven. Daarom ben ik voorstander van afbouwen van subsidies.”

Lees Veermans essay na opwww.minlnv.nl

    • Hans van der Lugt