Drie keer per week gratis reclame

Door politieseries is de studie forensisch onderzoek immens populair. Maar heeft Nederland wel behoefte aan zoveel onderzoekers?

Sporenonderzoek in het Forensisch Instituut. Een slipje wordt onderzocht op sperma voor DNA-onderzoek. Sporenonderzoek in het Forensisch Instituut. Een slipje wordt onderzocht op sperma. Foto Bas Czerwinski 27-06-2000, Rijswijk. NEDERLANDS FORENSISCH INSTITUUT. Sporen onderzoek, slipje wordt onderzocht op sporen van sperma. Eerste test wijst uit dat er mogelijk sporen van sperma zijn. FOTO BAS CZERWINSKI. Czerwinski, Bas

‘Ik snap het ook niet”, zegt Hans Alta, opleidingsmanager forensisch onderzoek aan de Hogeschool van Amsterdam. „Op de open dag roep ik altijd: ‘Jongens, dit is een vreselijk beroep. Je staat de hele dag vieze vuilnisbakken te doorzoeken.’ En dan zie je al die scholieren stralen.”

Forensisch onderzoeker, het werk van de laborant die na een misdrijf sporen analyseert, blijkt een droombaan. Meerdere onderwijsinstellingen bieden inmiddels opleidingen voor dit vak aan. Anderhalf jaar geleden begonnen de Hogeschool en de Universiteit van Amsterdam als eerste. Dit studiejaar zijn vergelijkbare studies in Enschede en Leeuwarden gestart. En volgend jaar zal ook de Universiteit van Maastricht een forensische master aanbieden. Allemaal rekenen ze op meer dan genoeg aanmeldingen. De Universiteit van Amsterdam wordt overspoeld met mailtjes. Op de Hogeschool van Amsterdam solliciteerden dit studiejaar zelfs 200 scholieren naar de 70 beschikbare plaatsen. Die opleiding werkt daarom met een loting, terwijl verwante bètaopleidingen als natuurkunde en scheikunde nauwelijks genoeg studenten kunnen vinden.

Waarom kiezen scholieren massaal voor deze bètaopleiding? „Voor een deel door het CSI-effect”, zegt Hans Alta. Hij verwijst daarmee naar de al een paar jaar lopende televisieserie Crime Scene Investigation. Daarin spelen Amerikaanse acteurs een team van technisch rechercheurs die iedere uitzending een ingewikkeld misdrijf oplossen. Ze voeren sporenonderzoek uit, lichten computersystemen door en slaan na enkele korte proeven de dader met wetenschappelijk bewijs om de oren. „Natuurlijk gaat het in het echt niet zo”, vertelt de opleidingmanager. „Ze lopen geheel tegen de regels in met los haar rondom de plaats delict. En ze doen alle proeven zelf, terwijl in werkelijkheid iedereen een bepaalde expertise heeft. Maar de technieken die je daar ziet kun je hier leren. Daardoor krijgen we drie keer per week gratis reclame.”

Het gevolg is een forse toestroom van studenten. Eenmaal studerend schrikken er wel veel van de harde werkelijkheid. Van de zeventig eerstejaars vielen er het eerste jaar al twintig af. De opleiding blijkt pittig, en het werk is soms wat saai. „De eerste weken dat ik hier rondliep moest ik ook even wennen”, geeft Marjet van Bezooijen (18), eerstejaars student aan de Hogeschool van Amsterdam, toe. „Een onderzoek kost in werkelijkheid veel tijd. Op televisie worden de sporen altijd meteen duidelijk, terwijl zo’n chemisch proces een halve dag duurt. Ook moet je alles opschrijven wat je doet. Met een simpel proefje ben je dan al uren bezig. In het begin had ik daardoor een dipje.” Een flink deel van het forensische werk is het maken van rapporten over het onderzoek. Van Bezooijen: „Al dat schrijven, is dit het nou? dacht ik. Maar nu vind ik de opleiding leuk. Ik ga het zeker afmaken.”

Maar vindt ze dan een baan? Over een paar jaar zullen in Nederland jaarlijks 200 onderzoekers afstuderen. Zit de politie daar wel op te wachten? „We hebben zeker behoefte aan meer hoger opgeleiden”, zegt Wim Neuteboom, programmamanager externe opleidingen bij het Nederlands Forensisch Instituut (NFI), een van de grootste werkgevers voor forensische onderzoekers. „We krijgen het steeds drukker met onderzoek. En de technieken worden steeds complexer. Vroeger ging het gewoon om een plasje bloed dat ergens lag. Nu moet je uit een druppeltje het DNA vaststellen. Ook laten daders sporen na op internet. Dat had je vijftien jaar geleden nog niet. De rechercheurs van nu zijn vaak intern bijgeschoolde mbo’ers. Die kunnen niet van al die technieken op de hoogte blijven.”

200 vacatures per jaar zal dat alleen niet opleveren. De meeste studenten komen dus niet bij het NFI terecht. „Dat is ook niet erg”, vindt Jan Bergsma, opleidingsdirecteur van de masteropleiding aan de UvA. „Wij leiden de studenten breed op. Ze kunnen nieuwe forensische technieken ontwikkelen, of bij politiekorpsen moeilijke onderzoeken gaan leiden. Maar ook hebben ze vakken over strafrecht gehad. Daarmee kunnen ze zelfs tussen de juristen gaan zitten. Ik maak me in ieder geval geen zorgen. Onze studenten zijn bèta’s, dus die vinden zeker een baan. Ook in hun vakgebied, als ze buiten de landsgrenzen kijken.”

De opleidingsmanager van de Hogeschool van Amsterdam is echter minder positief. „ Nu er andere opleidingen bij komen maak ik me zorgen. Ik denk dat we tegen een probleem aanlopen. Maar we rekenen op het ontstaan van nieuwe arbeidsplaatsen. De vergrijzing komt eraan, de nieuwe technieken vragen om meer hbo’ers, en advocaten en verzekeraars zullen ook met forensische onderzoekers gaan werken. We hebben uitgerekend dat dit bij elkaar vijftig tot zestig arbeidsplaatsen per jaar oplevert. Met afvallers meegerekend komt dat voor onze opleiding net uit.”