De buren zijn altijd gek

De waardin van het havencafeetje in het dorp Mouline vindt de bewoners van het buurdorp Ugljan gek. Later blijkt hoe dicht die uitspraak bij de waarheid ligt.

Vanaf de top van de Sint Michaelsberg, de hoogste plek van Ugljan, zien we pas goed hoe onwaarschijnlijk groen dit eiland voor de Kroatische kust is. We verheugen ons bij voorbaat op de wandelingen die we willen maken.

Startpunt voor de eerste wandeltocht is het vissersdorpje Mouline op de noordpunt van het eiland. We hebben een kaart bij ons, maar komen er niet uit, ook niet als een jong Frans stel, dat tegelijk met ons uit de bus is gestapt, ons te hulp schiet. We lopen maar zo’n beetje achter elkaar aan – totdat de Fransen op de rotsen langs een baai gaan liggen zonnen.

Op goed geluk volgen we een wandelpad door een bos vol cipressen en pijnbomen. Gerarda plukt veldbloemen. Ze raakt achterop. Dat is maar goed ook, want het bespaart haar een beeld dat niet van mijn netvlies te branden is. Direct na een bocht zie ik in een boom pal boven het pad, scherp afgetekend tegen de strakke hemel, een dode hond hangen. Ik ben verbijsterd. Hoe kom je tot zoiets? Wraak? Een of ander ritueel? Een middeleeuws volksgericht? Het kan ook een waarschuwing zijn: tot hier en niet verder.

De lust om door te wandelen vergaat ons. We maken meteen rechtsomkeert. Op de terugweg waarschuwen we de Fransen. Geschrokken komen ze overeind, graaien hun spullen bijeen en stappen op. In een havencafeetje in Mouline neem ik een rakija voor de schrik. Ik dring er bij de waardin op aan dat zij de politie belt. Daar voelt ze niets voor. Ze komen toch niet, zegt ze. Wel wil ze contact opnemen met het toeristenbureau, want wat ik gezien heb, is niet goed voor haar klandizie – al lijkt ze daaraan te twijfelen als ik nog een rakija bestel.

De waardin is ervan overtuigd dat de schuldigen te vinden zijn in het dorp waar we vanmorgen op weg naar Mouline met de bus doorheen kwamen en dat net als het eiland Ugljan heet. Het lijkt me sterk. Je gaat toch niet een eind van je woonplaats de wandelaars de stuipen op het lijf jagen? „Die van Ugljan wel”, beweert ze, „want die zijn gek.” Zo’n beschuldiging hebben we vaker gehoord. Waar we ook zijn geweest: over de hele wereld worden de buren voor gek versleten.

De bus is net weg. We willen geen uren wachten en lopen over de straatweg in de richting van Ugljan tot we een breed bospad zien, dat volgens een bordje eveneens naar Ugljan leidt.

Na een tijdje wordt de weg versperd door een roestend hek, dat moeiteloos opengaat. We staan in een verwaarloosd park. Er lopen mannen in allemaal dezelfde hardgroene jasjes en broeken rond. We worden wantrouwend bekeken. Niet door iedereen. Een van de mannen stapt op ons af en stelt zich voor als Ivan. Hij vraagt ons vriendelijk in het Engels of we soms iets zoeken. Het blijkt dat we ons op het terrein van de psychiatrische inrichting Ugljan bevinden. Ivan is zelf ook patiënt. Ik bedenk dat de waardin in Mouline wel eens gelijk zou kunnen hebben. Je moet gek zijn, wil je een hond ophangen. Tegelijk besef ik dat deze beminnelijke man beslist niet tot een dergelijke daad in staat is. Een van de anderen misschien? Ik vraag Ivan of je net zo makkelijk van het terrein af kunt komen als wij er op kwamen. „Dat is geen enkel probleem”, zegt hij, „maar waarom zouden we? We voelen ons hier veilig.”

Het is ons opgevallen dat er vrijwel alleen maar mannelijke patiënten zijn. Ivan vertelt dat dit door de Balkanoorlog komt. Het zijn bijna allemaal oud-strijders met een oorlogstrauma. „Vaak komt het uiteindelijk weer goed”, zegt hij, „maar sommige jongens lopen op een dag met een touw het bos in.”