Bram, en de journalistieke minderwaardigheid

Ik moest steeds aan Louis van Gaal denken.

Die was in 2001 niet competent genoeg gebleken om het Nederlands elftal te kwalificeren voor het WK voetbal, moest ontslag nemen als bondscoach, en kreeg van de publieke omroep gelegenheid om live een uur lang in z’n eigen verschrikkelijke on-taal uit te leggen dat het de schuld was geweest van de media.

Per definitie dus een belachelijke persconferentie. Dat er niettemin veel pers op af was gekomen, verbaasde me in zoverre niet heel erg omdat het om sportverslaggevers ging. En dat zijn zoals bekend – twee of misschien drie uitzonderingen niet te na gesproken – over het algemeen journalisten die niet helemaal zijn toegekomen aan uitgebreid lager onderwijs. Wat in hun branche natuurlijk ook niet echt nodig is.

Opvallend druk was het eveneens op de persconferentie van Bram Moszkowicz, de Louis van Gaal van de advocatuur. Had men soms weer alle sportredacties aangeschreven? Omringd door lijfwachten zocht de beroemdste pleiter van het land zijn weg naar de microfoon van de als altijd gastvrije publieke omroep, die ook hém een heel uur live schonk. Wat moeten ze anders met al die zendtijd.

Lijfwachten! Het weekend tevoren door de Nationaal Coördinator Terrorismebestrijding met twee BMW’s (die zelfs voor zijn garage te groot bleken) uit z’n kantoor gehaald om tegen zichzelf beschermd te worden! Holleeder! Endstra! Mieremet! Het hele Nederlandse Milieu!

Daar heeft Louis van Gaal nooit aan kunnen tippen.

Maar Bram spreekt ook het enigszins geaffecteerde Nederlands van een jongen die z’n Limburgs heeft overwonnen – zoals hij de megalomanie meedraagt van een provinciaal die op de duurste muur van Amsterdam in koeien van letters zijn eigen achternaam heeft laten opspijkeren.

Ik hoorde hem vertellen dat hij uit liefde voor zijn vak, en eigenlijk uit liefde voor de totale Nederlandse strafrechtspraak, wel eens in Cannes gaat dineren met de hele Nederlandse vastgoedmaffia, dat hij bovendien medemenselijkerwijs met een vermeende moordenaar uit Suriname in Paramaribo altijd net zo veel vriendschappelijke kopjes koffie zal blijven drinken als elders op de wereld met al z’n andere cliënten, en dat u – dames en heren van de pers – één ding goed moet onthouden, vandaar dat ik het u nu woord voor woord zal dicteren, zodat ook de domsten onder u het letterlijk kunnen opschrijven...

Op dat moment zag ik alle verzamelde journalisten gekwetst van hun stoel opstaan, hun opschrijfboekjes dichtklappen en naar de deur lopen. Een technicus van NOS Actueel trok boos doch beheerst de stekker uit het stopcontact zodat alle camera’s op zwart gingen, en geen enkele microfoon nog geluid doorgaf. En de fotografen die professioneel natuurlijk voortdurend in hun zoeker hadden zitten kijken, dus pas iets later merkten wat er aan de hand was, pakten solidair met de beroepsgroep alsnog hun biezen. In de vergaderzaal van het hotel aan de rand van Amsterdam, zette de grote verdediger zijn felle en dikwijls emotionele betoog voort ten overstaan van alleen nog maar z’n lijfwachten, en van Jessica Durlacher, Maurice de Hond, Hans Knoop en Leon de Winter, de boezemvrienden.

Had ik even gedroomd.

Maar niemand gekwetst. Niemand boos. Niemand solidair. Niemand ook maar één seconde last van eigenwaarde. Zoals sportverslaggevers zich door Louis van Gaal als onmondige kleuters laten behandelen (en de volgende dag in hun ‘column’ schrijven hoe geestig ze door Louis weer op hun nummer waren gezet), zo zaten tientallen volwassen journalisten een uur gedwee te luisteren naar de oncontroleerbare kletspraatjes van een advocaat die voor z’n nieuws met precies één zin toe had gekund: ik stop met Holleeder. Dat had hij voor een dubbeltje ook op het net kunnen zetten.

De volgende keer kies ik in godsnaam maar een ander vak.