Als het hier gezellig wordt, ben ik pleite

Dat Rotterdam is uitgegroeid tot ‘Manhattan aan de Maas’ is vooral te danken aan kunstenaars die als eersten een grootstedelijke visie op de stad ontwikkelden, zoals Jules Deelder. Dat staat in het proefschrift Dromen van een metropool van de kunsthistorica Patricia van Ulzen. „Mooi, zo’n wetenschappelijke onderbouwing van je werk”, zegt de ‘nachtburgemeester van Rotterdam’ op ironische toon.

De gemeente liep achter u aan, stelt Van Ulzen.

„Daar zit wel wat in. In de jaren zeventig was Rotterdam in de ban van de nieuwe lulligheid. Bestuurders waren tegen hoogbouw, tegen het internationale grootkapitaal. Dat was de kanker van sociale-academiefiguren, dezelfde lui die ook de Kaap (de wereldvermaarde en beruchte hoerenbuurt in Rotterdam, red.) hebben verziekt. Zij wilden de stad volbouwen met Volendammer klomphokken en woonerven.”

In ‘Stadslicht’, de documentaire over Rotterdam die u in 1977 met regisseur Bob Visser maakte, pleitte u voor een wereldser visie op de stad. Een kentering, volgens Van Ulzen.

„In die film zei ik: ‘Als het hier gezellig wordt, ben ik pleite.’ Op kneuterigheid zaten we niet te wachten in Rotterdam. We wilden niet zo’n popperige binnenstad als in Amsterdam. Dat wij al die zeventiende-eeuwse architectuur kwijt waren, was juist een voorsprong.”

Bent u niet bang dat oude tijden herleven? De gemeente Rotterdam heeft net een Deense landschapsarchitect onderzoek laten doen naar uw binnenstad. Zijn conclusie: het hart van Rotterdam is geen prettige plek om te verblijven.

„Een Deen? Alsof dat zo’n gezellig land is. Straks moeten we zeker overal marktkraampjes neerzetten. Rot toch op.”

Arjen Ribbens