Twee hoofden

Toen ik maandagochtend in de krant las dat Félix Lévitan op de respectabele leeftijd van 95 jaar was overleden, was mijn eerste gedachte – een vraag eerder: is Jacques Goddet eigenlijk al dood? Ja, die was op 15 december 2000 reeds overleden, wist Wikipedia me te vertellen. Dat feit had ik vreemd genoeg gemist. Misschien zat ik toen net in het buitenland, of nog ergens anders. In elk geval kon ik nu met een simpele aftreksom uitrekenen dat Goddet precies even oud geworden is als Lévitan. Dat verbaasde me niks. Goddet en Lévitan zijn in mijn herinnering twee hoofden op één lichaam.

Nu ik voor mijn toetsenbord zit, moet ik zeggen dat het me het allermeest verbaasd dat ze überhaupt gestorven zijn.

De twee-eenheid behoort tot de onsterfelijke stoffering van mijn jeugd. Ik kwam hen tegen op foto’s in de bladen die mijn vader voor me kocht. Het ene hoofd droeg een tropenhelm, het andere een zonnebril op een ‘jodenneus’. Die twee hoofden waren de baas van de Tour de France. Ik was tien en vol ontzag voor de dragers van de mythe.

Jodenneus.

Ik leerde het woord kennen via de mondelinge overlevering, en voelde wel aan dat het woord niet complimenteus bedoeld was. Aan de andere kant, het woord werd gebruikt met zoveel gemak dat zelfs een tienjarige er een cliché in zag. Een jodenneus kon me niet verontrusten.

Lévitan is dood. In de necrologieën wordt hij omschreven als zakelijk, autoritair, als de man die van de Tour de France een succesvol commercieel bedrijf maakte. Hij wordt beschreven als de antipode van de romanticus Jacques Goddet. Als het geld opleverde, was hij bereid de ziel van de Tour te verkopen.

Ik was 23 toen ik voor het eerst de Tour binnenstapte. Wat wist ik van de Tour? Niets. Ik wist niet eens of ik het wel drie weken op een zadel zou kunnen uithouden. Maar aan het roer van de onderneming stonden de bakens uit mijn jeugd, Goddet en Lévitan.

Goddet kon ik volgen – heel goed zelfs. Behalve organisator was hij ook sportjournalist voor L’Equipe, de sportkrant die de Tour organiseert. In zijn artikelen die ik ’s avonds op bed doorlas, vond ik doorwrochte analyses van de etappes en de Tour als cultureel fenomeen. De Tour was volgens hem het gat voor avontuur en zelfverheffing waarin de volksjongen, vastgelopen in de dodelijk gemechaniseerde civilisatie, zuurstof kon vinden.

Van Goddet was het me meteen duidelijk. Hij organiseerde de wedstrijd die hij zelf had willen fietsen.

Lévitan was iets problematischer. Ook hij publiceerde, maar mondjesmaat. En als hij publiceerde was het vooral om zichzelf zakelijk te verantwoorden. Volgens hem kon de Tour uitsluitend voortbestaan bij de gratie van een vulgair en onromantisch zakelijk compromis. Daar had hij natuurlijk gelijk in.

Na een kwaaie bergetappe zei ik tegen hem: „Wat had ik vandaag graag in uw directeursauto gezeten.” Hij antwoordde: „Wat had ik vandaag graag op uw fiets gezeten.”

Hij keek me iets langer aan dan urgent was.