‘Troostmeisjes’ hebben nu genoeg geklaagd

In de Tweede Wereldoorlog dwong het Japanse leger meisjes tot prostitutie. De ‘troostmeisjes’ eisen verontschuldigingen. Maar Tokio wil hen voorgoed in de vergetelheid drukken.

De oorlog blijft Japan achtervolgen. Premier Shinzo Abe wil door middel van een nieuwe grondwet de naoorlogse periode achter zich laten en een nieuw tijdperk ingaan dat geheel los staat van de Tweede Wereldoorlog en de daaropvolgende bezetting van Japan. Dezer dagen staat zijn land echter wederom in de beklaagdenbank, ditmaal ten overstaan van het Amerikaanse Huis van Afgevaardigden. Voormalige ‘troostmeisjes’ eisten vorige week tijdens een hoorzitting officiële en oprechte verontschuldiging van de Japanse regering voor het leed dat hun werd aangedaan. Het Huis zal zich later uitspreken over een resolutie van die strekking.

‘Troostmeisje’ is een Japans eufemisme dat stamt uit de oorlog. ‘Sekslaven van het Japanse leger’, is de term die de critici van de Japanse regering gebruiken. Legerbases en bordelen zijn allesbehalve vreemden van elkaar. De economische wetten van vraag en aanbod doen hier hun gewone werk. Het is echter een andere zaak als de staat bordelen runt, zeker als vrouwen gedwongen worden zich te prostitueren. Beide waren het geval in de door Japan bezette gebieden, eerst in China en later in Zuidoost-Azië.

De eerste ‘troosthuizen’ werden opgezet in de nasleep van de westerse kritiek op de excessen van het Japanse leger tijdens de verovering van de Chinese stad in Nanking in 1937. Verkrachting was verboden binnen het keizerlijke leger, maar veel soldaten interpreteerden dit verbod slechts als een reden om het levende bewijs uit de weg te ruimen. De legerleiding liet ‘trooststations’ inrichten om de vleselijke behoeften van de manschappen en de uitbraak van geslachtsziekten te controleren. De benodigde vrouwen, zowel uit het moederland als uit de koloniën en bezette gebieden, werden door ronselaars onder valse voorwendselen gelokt of door middel van geweld ‘gemobiliseerd’.

Bij de vele rechtbanken waar Japan terecht moest staan voor oorlogsmisdaden was echter geen aandacht voor ‘troostmeisjes’. Zij zelf durfden zich uit schaamte niet uit te spreken. De prioriteiten van de Koude Oorlog dwongen Zuid-Korea en Zuidoost-Aziatische landen om de eenheid te bewaren en het Japan niet lastig te maken. Beschuldigingen uit het socialistische kamp werden genegeerd. Pas na de val van de Berlijnse Muur kwam de kwestie boven water door voormalige Zuid-Koreaanse troostmeisjes die voor hun overlijden alsnog gerechtigheid en genoegdoening wilden zien.

De reactie van de Japanse regering evolueerde langzaam van ontkenning tot schoorvoetende erkenning. Hoewel het Japanse leger het merendeel van de belastende documenten had vernietigd, was de inmenging van de Japanse overheid niet geheel uit te wissen. Logisch gezien was het sowieso onmogelijk mensen te vervoeren naar of binnen een oorlogsgebied zonder toestemming van de civiele en militaire autoriteiten. In 1993 kwam de toenmalige kabinetssecretaris Kono met een officieel excuus. Niet lang daarna volgde de oprichting van het Aziatische Vrouwenfonds voor financiële steun aan de nog overgebleven slachtoffers. Het leed van de troostmeisjes werd zelfs opgenomen in de door de regering gescreende schoolboekjes.

Er was echter veel verzet binnen de regerende Liberaal Democratische Partij en de vraag of de troostmeisjes gedwongen waren zich te prostitueren, bleef onbeantwoord. De regering was ook niet bereid om de poort naar de vergoeding aan individuele slachtoffers van oorlogsmisdaden open te zetten. Het eufemistisch vernoemde ‘vrouwenfonds’ moest dan ook bestaan als een particuliere organisatie. Uiteindelijk heeft het fonds maar beperkt kunnen opereren omdat veel slachtoffers de ambigue houding van de Japanse overheid niet accepteerden.

De laatste jaren is de sfeer rond het debat over de troostmeisjes omgeslagen. Voorstanders van een ‘positieve’ herinterpretatie van de moderne Japanse geschiedenis hebben de overhand gekregen. Zij willen af van het juk van de oorlogserfenis en roepen op tot patriottisme. Premier Abe’s slogan is ‘een mooi Japan’. En minister van Buitenlandse Zaken Taro Aso staat bekend om het feit dat hij geen kritiek duldt van China en de twee Korea’s, en liever zelf de aanval zoekt. Aso was ook de minister die gisteren de kritiek uit Amerika pareerde als ‘niet objectief’.

Premier Abe en Aso gaan nog niet zo ver om het officiële excuus uit 1993 in te trekken. Maar het feit dat in steeds minder schoolboeken de ‘troostmeisjes’ nog staan vermeld en dat een documentaire op de staatszender over de kwestie werd gecensureerd, geven aan dat de overheid enkele stappen terug heeft gedaan.